Geloof en feit. Is dat een tegenstelling? Of zit er op zijn minst een flinke spanning tussen? Geloof ik in feiten? Is het christelijke verhaal nou echt gebeurd? Of moet ik het meer zien als een gedicht dat het onzegbare vertolkt? Als goede muziek die mij boven mijzelf uittilt?

Correspondent coryfee Rutger Bregman haakte af bij een geloof dat slechts een gedicht is (Nieuwe Koers 2014 no. 10). Als zijn vader (dominee) bidt, vindt hij dat prachtig. En de leegloop van kerken acht hij een ramp voor de samenleving. Maar Bregman is toch afgehaakt. Hij bidt niet meer en bezoekt nauwelijks nog een kerk. Want als het niet echt waar is, dan kan hij er niks mee. Hoe mooi de gedichten ook zijn en hoe waardevol hij een kerkdienst ook vindt.

Veel christelijke denkers uit het verleden voelen met dit bezwaar van Bregman mee. Zo verankeren de evangelieschrijvers hun getuigenis van Jezus’ leven en werk ook in feiten. Wie kent het niet. “In die tijd kondigde keizer Augustus …” (Lucas 2:1) Het is zelfs in de apostolische geloofsbelijdenis beland. “Onder Pontius Pilatus…”. Feiten verankerd in de annalen van het Romeinse Rijk. Dit is geen proza of poëzie, dit is geschiedenis. “Christus is echt opgestaan, ga het maar navragen bij de mensen die erbij waren”, schrijft Paulus (vrij naar 1 Korintiërs 15:6).

Maar ik vind het lastig, die feiten. Doodeng om mijn geloof op te hangen aan een paar dubieuze en bovendien tendentieuze geschiedenisboeken. Want hoe betrouwbaar is die overlevering? Is dit fundament geen drijfzand? En dan heb je nog die filosofen die lastige vragen stellen: feiten, waar heb je het over? Er zijn geen feiten, er is slechts constructie. Jij construeert je werkelijkheid en je waarheid. Er zijn geen feiten, dat is een illusie. En theologen nemen dit graag over. De Bijbel is geen geschiedenis, het zijn verhalen. En wij kunnen dat lezen en ons ermee identificeren om vervolgens ons eigen verhaal te leren vertellen. Heerlijk toch? Weg met die feiten, we gaan dichten en muziek maken en elkaar prachtige verhalen vertellen!

Het spreekt me aan. Het geeft me ruimte om vrijmoedig te geloven. Mijn twijfels doen minder pijn. Maar er steekt ook wat. Ik snap Bregman goed. Want als het hierbij blijft, dan krijgt Nietzsche gelijk en is God niet meer dan een projectie van een zoekende ziel. Een panacee voor de zwakke, sentimentele mens. Geloof wordt een hobby, een privézaak, en nog een best wel trieste ook. Wist je dat er groepen bestaan die geloof hechten aan de fictieve wereld van Tolkiens The Lord of the Rings? Elfen, dwergen, tovenaars, orks. En dan dus echt.

“Alleen feiten bieden echte hoop. Als het christelijk geloof alleen maar mooi en niet waar is, dan is het slechts een doekje voor het bloeden.”

Nee, dat niet. Dan ontdek ik mijn verlangen naar zekerheid, feiten, waarheid. Want alleen feiten bieden echte hoop. Als het christelijk geloof alleen maar mooi en niet waar is, dan is het slechts een doekje voor het bloeden. Daarom gloren er tussen hoop en vrees en al mijn postmoderne twijfel toch die feiten. En daarom geloof ik.

Ik geloof
In meer dan plastic en chemie.
Meer dan mijn brein.
In dat het schone ook echt schoon kan zijn en het goede goed.
Dat mijn Erbarme dich ook echt de hemel binnendringt.
Dat Rembrandts vaderhanden meer zijn dan wat streken op een doek.
De almachtige Vader, schepper van hemel en aarde
Dat de ontluikende lente in mijn tuin voorbode van het grote Pasen is.
En op de derde dag opgestaan uit de doden
En meer nog: ik heb het nodig.
Nodig dat er iemand is die alles overziet.
Die al het kromme recht kan maken.
Voor sommigen is Nepal of Lampedusa het einde van God.
Voor mij het schreiende begin.
Er moet recht gesproken worden.
Want hier gebeurt het niet.
Om te oordelen de levenden en de doden
Nodig dat iemand zegt: zo is het goed.
Je hoeft de wereld niet te redden.
Je proefschrift hoeft de wereld niet te veranderen.
Je preken hoeven geen opwekking te veroorzaken.
Een dag hard werken in de wijngaard… of alleen het laatste uurtje.
Er is genade.
Ik heb het nodig dat er iemand is die zegt: zo is het goed.
Vergeving der zonden
Ik heb het nodig dat het niet hier bij blijft.
Dat het leven meer is dan zeventig, tachtig jaar op deze verstikkende aarde.
Dat de dood niet het einde is.
Opstanding van het lichaam
en een eeuwig leven