Razia glimlacht altijd als ik haar zie. En ze lacht hardop. We kunnen elkaar niet verstaan, maar ze wil me hoe dan ook duidelijk maken dat ze het heel goed bedoelt. Ze steekt haar duim op, vraagt: “Good?” Ik glimlach terug, herhaal het gebaar. “Good”, antwoord ik. Ik stel haar dezelfde vraag en krijg hetzelfde antwoord. Good. Uit dit woord bestaat onze volledige conversatie elke keer als we elkaar tegenkomen in de kerk.

Razia is gevlucht uit Pakistan. Haar dochter zit in dat land in de dodencel. Ze wordt beschuldigd van blasfemie. De hele familie liep gevaar. Ze moesten vluchten. Met haar man en een van haar kinderen kwam Razia in België terecht. Daar vond ze letterlijk onderdak in de Protestantse Kerk: tot ze een woning zou krijgen mochten ze in het bijzaaltje van de kerk wonen.

Ze heeft inmiddels met haar man een appartement toegewezen gekregen. Op een zonnige dag sta ik bij haar op de stoep. Razia doet de deur open en lacht hardop. Ik krijg een knuffel en wat zoenen. Na tweemaal “good” zet ze een stoel voor me klaar en schenkt ze een glas water voor me in. Ik neem plaats, drink wat, glimlach wat. Haar zoon, die Engels spreekt, zie ik zo gauw nog niet. Afwachten maar. Razia staat ondertussen in de keuken, ik geloof dat ik mag blijven eten. Al versta ik niet wat ze zegt, het is overduidelijk dat ik erg welkom ben.

Na verloop van tijd komt haar zoon binnen. Nadat hij me het verhaal heeft verteld over zijn familie vraag ik of hij voor zijn moeder en mij wil tolken. Eindelijk kan ik haar echt spreken. Ontdekken wat ze nog meer te zeggen heeft dan “good”.

Ik kom erachter dat ze alleen Punjabi spreekt. In het veeltalige Pakistan was dat niet een heel groot probleem, omdat ze op het land werkte. Als je bij mensen in huis werkte was het lastiger: die verplichtten hun werknemers vaak Urdu te spreken, ook al betekende dat soms dat je de hele dag niets kon zeggen. Ze vertelt me dat het in Pakistan veel werk is om eten klaar te maken. Aan kant-en-klaar deed ze niet. In België houdt ze zich nog steeds voornamelijk met koken bezig. Maar het is wel wat gemakkelijker, nu alles in de winkel te koop is. Ik kom erachter dat je in Pakistan beter melk kunt drinken van je eigen koe dan van de winkel, want melkpakken worden daar vaak aangelengd met water.

Als ik vraag hoe het voor haar is om zich niet verstaanbaar te kunnen maken en niet begrepen te worden, verdwijnt de glimlach van haar gezicht. Ze vindt het ontzettend zwaar dat ze haar zorgen niet kan delen. Dat ze niet weet bij wie ze terecht kan met vragen. Het verdriet dat ze met zich meedraagt, kan ze niet kwijt bij de mensen om haar heen, doordat ze haar niet verstaan. De stress bezorgt haar fysieke pijn. Ze heeft geen ruimte in haar hoofd om Nederlands te leren. Ze gaat niet meer naar de winkel, dat laat ze aan haar man over. Ze kookt vooral, is de hele dag bezig met heerlijk pittig Pakistaans eten op tafel te krijgen.

Eerder deed ze wel eens boodschappen, vertelt ze tijdens het eten. Maar ook zoiets simpels is zwaar geworden. Ze vertelt dat ze een keer in de winkel stond en niet duidelijk kon maken wat ze bedoelde. “Problem, problem”, zei ze, waarop een winkelmedewerker antwoordde: “No problem, no problem.” Hij had makkelijk praten want hij had geen probleem, maar zij wel. Als ze dat vertelt moet ze toch weer even lachen.

Als ik haar vraag hoe het is om in de kerk te zitten bij mensen die ze niet verstaat, glimlacht ze weer. Ze zegt er graag te komen. Ze verstaat de mensen niet, maar voelt zich door Christus met hen verbonden. En dat begrijpt ze helemaal.

Afgelopen zondag kwam ik haar weer tegen in de kerk. Een dikke knuffel en een zoen kreeg ik van d’r. Ik stak m’n duim omhoog. “Good?” vroeg ik. Dit keer kijkt ze moeilijk, aarzelt. “Problem”, zegt ze. Wat het probleem is kan ik niet vragen. Ik ga bij d’r zitten. En hoop dat ze zich verbonden voelt.