Een tijdje terug heb ik meegedaan aan een serie gespreksavonden waarin mensen kennis konden maken met het christelijk geloof. Er waren mooie gesprekken en herkenbare vragen. Eén deelnemer deed mee omdat hij het verlangen had om iets goeds bij te dragen aan de wereld, en hij had ook vragen over het christelijk geloof. Zijn verlangen om iets goeds bij te dragen was heel bescheiden, maar ik was er telkens door geraakt. Het was bijzonder, omdat hij erg gedreven werd door zijn verlangen; hij nam het heel serieus. Hij wilde graag met zijn technische beroep opbouwend werk gaan doen, in landen waar dat hard nodig is.

Tegelijkertijd speelden er allerlei vragen, en een vraag waar hij vooral mee zat, was of je wel zou moeten kiezen voor één soort geloof. Hij vroeg zich af hoe het dan zat met zijn vrienden, die niet christelijk zijn. Als hij zou kiezen om christen te zijn, was dat dan niet raar tegenover hen? Ik vond het een hele herkenbare vraag. Vaak wordt gezegd dat het prima is dat iedereen iets gelooft en dat overal wel iets in zit. Zou je wel echt moeten kiezen? En hoe weet je dan of het christelijk geloof het ‘bij het juiste eind’ heeft?

Tijdens de serie avonden las ik voor mezelf Ezechiël 34. En ik was zó verbaasd over dit gedeelte. Het is heel mooi en ik wist echt niet dat dit in de Bijbel stond. In elk vers voel je aan alle kanten dat God heel erg betrokken is bij de wereld en bij zijn ‘schapen’. Hij wil heel graag zijn schapen opzoeken en hun wonden verbinden. Hij wil ze genezen en naar een mooie plek brengen. En alles is al helemaal uitgedacht: de schapen mogen zelfs slapen in bossen (ik heb nog nooit schapen gezien in bossen en zeker niet ’s nachts). God is in dit gedeelte ook heel streng tegen leiders die zwakke mensen aan hun lot overlaten. En tegen mensen die alleen maar aan zichzelf denken, over de ruggen van anderen heen. Hij is zo betrokken bij zijn schapen dat hij ze dan nog liever zelf leidt, als een echte Goede Herder. Het klinkt allemaal zo veilig. Alles is bij God in zorgzame handen. Als Jezus dit bedoelde toen hij zei dat hij de Goede Herder is: wauw!

Omdat ik dit Bijbelgedeelte las tijdens de serie gespreksavonden, zat ik nog met de vraag in mijn hoofd of het wel nodig is om te kiezen om christen te zijn. Maar die vraag valt helemaal in het niet bij Ezechiël 34. Op het eind van het hoofdstuk staat er: ‘Jullie zijn mensen en ik ben jullie God – zo spreekt God, de Heer.’ Wat is het fijn dat je een gewoon mens mag zijn en niet alles hoeft te weten. Volgens mij schiet God gewoon in de lach als ik zeg: ‘Ehm God, ik vind het wel gek dat ik christen ben en mijn vrienden niet.’ Ik denk dat hij zoiets zou zeggen: ‘Lieverd, wat zeg je? Pak mijn hand, kom eens mee naar dat laatste vers. Ik ben God. Jij niet. Zie je niet dat ik altijd weer mensen opzoek? Dat is toch wat ik het liefste doe? Ga je nu voor mij uitrennen? Niet doen hoor, want je verdwaalt en dan raak je toch weer in paniek.’

Die discussies over wie het ‘bij het juiste eind heeft’ zijn meestal vermoeiend. Het is veel mooier om te kijken naar Jezus, die de echte Goede Herder is. En om te zien dat iedereen hem mag vertrouwen; al die mensen die verdwaald zijn, of ziek, of gebroken.

En dat verlangen om iets goeds bij te dragen aan de wereld, dat kun je denk ik juist serieus nemen als je weet dat het aansluit bij Gods verlangen. Hij heeft niet voor niets alles al zo mooi uitgedacht. Het is prachtig om daarmee aan het werk te gaan, in het vertrouwen dat je de allerbeste herder volgt die er is. De deelnemer die zo graag iets goeds zou willen bijdragen aan de wereld, was op de laatste avond blij dat zijn verlangen bij het plaatje van het christelijk geloof paste. En meteen daar achteraan zei hij: ‘En nu nog in de praktijk brengen.’

Beeld Maarten Boersema