‘Wauw, dat vind ik écht bijzonder!’ Ik lach flauwtjes en mompel wat. Ik heb net aan mijn gesprekspartner verteld over mijn leven. Mijn alternatieve leven. Want dat heb ik, eindelijk. Ik woon namelijk op de Wallen in Amsterdam. Mijn buurvrouw is een prostituee. En elke keer als ik langskom, tikt ze met haar lange gelakte nagels tegen het raam en wenkt ze me naar binnen. Ik ben een potentiële klant. Laatst had ik de moed verzameld om haar te vertellen dat ik geen klant ben, maar hier gewoon woon. Ik liep naar haar deur, die al langzaam openging. ‘Nee, ik kom niet daarvoor. Ik ben gewoon je buurman!’ Waarop zij antwoordde: ‘Nou en?’ Uit het veld geslagen liep ik weer verder. Ik woon hier op de wallen in een klooster, een leefgemeenschap. Ook zo alternatief. En o ja, ik ben sinds kort ook nog pionier en kerkplanter. In een achterstandswijk. Alternatief en onderscheidend. Toch?

Ik heb altijd een grote kloof ervaren tussen de woorden uit het evangelie en het ‘gewone’ leven van christenen en kerken in Nederland. Toen ik me rond mijn zeventiende voor het eerst bewust ging bezighouden met God en Jezus was ik verbaasd hoe ver dat voor mijn gevoel afstond van de gezapige burgerlijkheid van christenen en het weinig onderscheidende karakter van de kerk. En om mij heen kwam ik veel andere jonge christenen tegen die hetzelfde gevoel hadden. Wat heb je eraan om christen te zijn als je in niets onderscheidend bent van je omgeving?

Tijdens mijn studie theologie heb ik mezelf volgestopt met verhalen van radicale christenen als Shane Claiborne en moeder Teresa die hun gezapige leven achter zich lieten en in achterstandswijken gingen wonen. En ik las vlammende boeken van theologen als Hauerwas die opriepen tot het vormen van ‘alternatieve gemeenschappen, kolonies van het koninkrijk van God die een tegencultuur vormen in de verlaten plaatsen van het rijk van deze wereld’. En nu, tien jaar later, woon ik in zo’n ‘alternatieve gemeenschap’ op een van die verlaten plaatsen en ben ik dominee van een kerk die in een achterstandswijk ‘een tegencultuur’ probeert te vormen om de kracht van het evangelie te laten zien.  Alternatief en onderscheidend. En toch knaagt er iets.

Een tijdje geleden las ik in de krant een interview met een rasechte hipster. Volle oranje baard, grote zwarte bril, knotje op zijn hoofd, broekspijpen opgestroopt en Peruaanse Alpaca-sandalen aan zijn voeten. Hij zei: ‘Ik wil graag uniek en alternatief zijn. Dat ben ik, en daarom hebben ik, en veel andere unieke en inspirerende mensen die ik ken, last van negatieve reacties. Het komt tegenwoordig écht op moed aan als je je wilt onderscheiden van de massa’. De filosoof Charles Taylor noemt de zoektocht van mensen naar authenticiteit het leidende morele principe van onze cultuur. Steeds meer realiseer ik me de laatste tijd dat de zoektocht van jonge christenen naar de betekenis van hun geloof misschien wel meer gedreven wordt door een zoektocht naar individuele authenticiteit, precies zoals de hipsters in het artikel ‘alternatief en onderscheidend’ willen zijn. Wat dat betreft is de tegencultuur waar Hauerwas over spreekt een ware hipsterhemel.

In de bergrede roept Jezus tot drie keer toe op om als volgeling van Hem je bidden, je vasten en je goede daden, verborgen te houden (Matteüs 6: 4, 6, 17). De essentie is dat wat in het verborgene is, zich niet zichtbaar onderscheidt. Steeds vaker realiseer ik me dat christen-zijn weinig te maken heeft met ‘je onderscheiden van de massa’ of ‘een alternatief leven leiden’. Misschien vraagt het in onze tijd wel om veel meer moed om je juist niet te willen onderscheiden van de massa. Om het aan te durven juist niet op te vallen en niet uniek te willen zijn. Om als christen op te gaan in de grote stroom. Je wordt daardoor bevrijd van de culturele drang om ‘zichtbaar’ te willen zijn, of van de druk om als zout of licht aanwezig te zijn. Of van mijn neiging om aan mijn buurvrouw duidelijk te willen maken dat ik écht anders ben dan die duizenden mensen die elke dag langslopen. Jezus’ advies om eerst zijn koninkrijk te zoeken (vers 33) kan heel goed betekenen dat je leven opgaat in de massa en zich weinig onderscheidt. Dat is ingewikkeld, maar ook goed nieuws. Omdat het juist in een cultuur van nep-authenticiteit en schijn-onderscheiding, wel degelijk een verschil maakt als er mensen zijn die hun onbelangrijkheid durven te erkennen. Die durven te zien dat ze één van de velen zijn. Niet uniek. Niet bijzonder. Die uiteindelijk durven te erkennen dat hun gewone levensverhaal, net als dat van ieder mens, opgaat in een veel ouder, breder en veelomvattender verhaal van God en Zijn nieuwe wereld.

Best een alternatief verhaal eigenlijk.