Enkele jaren geleden las ik de bundel Onze Lieve Vrouwe van de Schemering – essays over poëzie, film en geloof van de latere P.C. Hooftprijswinnaar Willem Jan Otten. Tot mijn grote verbazing ging een van zijn essays over Harry Potter. De bekroonde literator bleek deze kinder- of jeugdboekenreeks uiterst serieus te nemen.

Otten schrijft over Rowlings Potterreeks: ‘Er is geen enkele reden om haar werk lager aan te slaan dan De ontdekking van de hemel, het doet bovendien niet aan intellectuele borstklopperij en is geestiger.’ Feitelijk plaatst hij de literaire prestatie van Rowling dus boven die van Mulisch. En in zijn analyse van het personage Dumbledore (Nederlands: Perkamentus, het schoolhoofd en de mentor van Harry) gaat hij nog een stap verder: ‘Dumbledore is, wat mij betreft, de grote, onvergetelijke prestatie van Rowling. Met dit oude schoolhoofd heeft zij iets hondsmoeilijks gedramatiseerd: wijsheid. Schrijvers die ‘levende wijsheid’ op papier hebben weten te krijgen zijn zeldzaam.’ Otten noemt vervolgens onder andere Lewis met Aslan in de Narnia Kronieken en Dostojevski met de Starets in De Gebroeders Karamazov als auteurs die hierin geslaagd zijn. Hij schrijft dat hij het moeilijk vindt om niet te gaan neuriën bij de gedachte dat meer dan 300 miljoen mensen met de Potterreeks in aanraking zijn gekomen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik persoonlijk het stadium van het neuriën al ruimschoots voorbij was toen ik deze lofrede op Rowlings meesterwerk las. Mijn kinderlijke fascinatie voor Harry Potter bleek plotseling ongedacht intellectueel verantwoord te zijn. Voortreffelijk! Je kon me dan ook wegdragen toen ik las dat Otten uiteindelijk Harry’s welbewuste offer vergelijkt met het offer van Abraham. Het was voor mij een vrijbrief om de serie nog verschillende malen in verschillende talen te lezen.

Naast dit literaire excuus om Potter in mijn boekenkast te hebben staan, vond ik afgelopen zomer ook een theologisch excuus, waardoor ik er nu ook over durf te schrijven. Dit theologische excuus werd me aangereikt door Willem Ouweneel die in een boekje over Narnia (Het lam en het land van de leeuw, onder redactie van Henk Medema) gebruikmaakt van John Granger’s How Harry Cast His Spell (in Nederland uitgegeven als Op zoek naar God in Harry Potter). Mocht Willem Jan Otten al zeer enthousiast zijn over Harry Potter, Granger is idolaat. Hij laat zichzelf Hogwarts Professor noemen en heeft als zodanig The Deathly Hallow Lectures verzorgd. Granger, die zowel klassieke talen als literatuur studeerde, beschouwt de Potterreeks als een doorlopende verwijzing naar de christelijke traditie en de Engelse literaire traditie: ‘(…) the Harry Potter stories sing along with the Great Story of Christ in the tradition of English Literature (…)’. Granger stelt dat er een alchemistische structuur ten grondslag ligt aan alle delen, waarbij Harry iedere keer ‘sterft’ en ‘weer opstaat’ in het bijzijn van een Christussymbool. De steen der wijzen, de rode leeuw (op het vaandel van Gryffindor), de griffioen, de eenhoorn, de feniks, het hert, de centaur en de hippogrief die Rowling gebruikt, zijn volgens hem allemaal traditioneel erkende symbolen van Christus die zij vooral aan C.S. Lewis ontleent. Het christelijke hart van de Potterserie klopt volgens Granger nog het meest in de kernboodschap, namelijk dat liefde de macht is waar de dood voor moet vrezen. Terecht wijst hij in dit verband op de overduidelijke verwijzing naar 1 Korintiërs 15 en Matteüs 6 in deel 7. Harry en Hermione lezen daar in Godrics Hollow op het graf van Harry’s ouders: ‘De laatste vijand die overwonnen wordt, is de dood.’ En op het graf van Dumbledore’s moeder en zusje: ‘Waar je schat is, zal je hart ook zijn.’

Hoewel Granger enigszins door kan draven, geeft hij wel op een overtuigende manier inzicht in het theologische gehalte van de Potterreeks. En wat voor hem pleit is dat hij zowel de dood van Dumbledore in deel zes als Harry’s zelfoffer uit liefde voor zijn vrienden aan het eind van de serie juist voorspeld heeft, ook al dacht hij dat het laatste door middel van onthoofding zou gebeuren.

Wat mij persoonlijk het meest fascineert is het theologische thema van de voorzienigheid. Feitelijk lost Rowling de spanning niet op. Haar adagium dat je leven niet door voorbestemming maar door keuze wordt gedefinieerd – hetgeen ze wat mij betreft vrij geniaal, want met behulp van een profetie, duidelijk maakt – verhindert niet dat Dumbledore voorziet en regisseert dat Harry zijn leven zal geven voor het grotere goed. De kritiek van professor Snape op Dumbledore brengt de spanning onder woorden: ‘Dus je hebt hem alleen in leven gehouden zodat hij op het juiste moment kon sterven? (…) En nu hoor ik dat hij in feite niet meer is dan een varken dat gefokt wordt voor de slacht -’ Het is een verwijt waar Dumbledore geen redelijk antwoord op heeft, zodat Snape uiteindelijk de menselijke van die twee blijkt te zijn.

In zekere zin vervult dus niet de vaderlijke, alwetende Dumbledore, maar Snape de rol van Abraham, in die zin dat Snape degene is die de onmogelijke boodschap overbrengt. Zoals Abraham in de meest onvolprezen dialoog in de wereldliteratuur over voorzienigheid gedaan heeft: ‘‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat wil je me zeggen, mijn jongen?’ antwoordde Abraham. ‘We hebben vuur en hout,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam voor het offer?’ Abraham antwoordde: ‘God zal zich zelf van een offerlam voorzien mijn jongen.’ En samen gingen zij verder.’

Mijn interpretatie is dat meer nog dan bij Abrahams heffen van het mes, juist op dit punt de spanning tot een kookpunt oploopt, omdat zowel Isaaks besef als de gezamenlijkheid van de vervolgtocht benoemd worden. In de Potterserie sterft de voorzienige Dumbledore door hoogmoed, terwijl Snape en Harry uit liefde hun leven offeren om anderen te redden.

Ik wou dat ik er een keer over durfde te preken.