Zonde, schuld en morele verontwaardiging. Deze woorden typeren de maatschappelijke discussie over de graaicultuur binnen de financiële wereld. De stroom van nieuwsberichten over exorbitante bonussen en twijfelachtige transacties is nog lang niet ten einde. Volgens velen werd de afgelopen financiële crisis hierdoor veroorzaakt.

De bekende journalist Joris Luyendijk legt in zijn boek Dit kan niet waar zijn: onder bankiers uit hoe het zover gekomen is. Hij signaleert dat er  sinds het begin van de financiële crisis in 2008 maar weinig verbeteringen zijn doorgevoerd in de financiële sector. De onderliggende structuur is intact gebleven, dus binnen afzienbare tijd kan er weer een grote crisis uitbreken. De oorzaak is volgens Luyendijk dat de politiek er niet in slaagt doelmatige wetgeving in te stellen. Perverse prikkels zijn nog niet weggenomen, de financiële sector is verrot en ligt op ramkoers.

Het is maar de vraag in hoeverre het onderzoek van Luyendijk naar de financiële sector in Londen relevant is voor de Nederlandse situatie (zie bijvoorbeeld dit nieuwsbericht over het verschil in aantal topsalarissen tussen Groot-Brittannië en Nederland). Toch vertolkt hij duidelijk de morele verontwaardiging over de financiële sector die breed leeft in de maatschappij.

De hoogleraar Europese cultuur en christendom Smalbrugge leverde in een opiniebijdrage in Trouw eind augustus een heel andere invalshoek. Bankiers zijn niet de boosdoeners; nee, het zijn juist de zondebokken van onze moderne tijd. Het debat gaat volgens hem niet om geld, maar om maatschappelijk ongenoegen door ongelijkheid en controlezucht. De beloningen doen een aanval op ons enig overgebleven houvast: gelijkheid; en het gedrag van bankiers staat haaks op onze hang naar controlezucht en het vermijden van risico’s.

De opvattingen van Luyendijk en Smalbrugge liggen nogal ver uit elkaar. Zoals vaker zal de waarheid ergens in het midden liggen, maar daar gaat het mij nu niet om. Wat mij opvalt, is het vocabulaire dat in deze discussie wordt gehanteerd: zondebok, vertrouwen, schuld. Als je niet beter weet, denk je dat je naar een preek luistert.

In onze maatschappij draait bijna alles om geld. Het is de afgod van deze tijd. De gebrokenheid en de macht van het kwaad worden hierin zichtbaar. Niet alleen in het gedrag van topbestuurders als zodanig, maar ook in alle maatschappelijke onrust en verontwaardiging die hierop volgen. Enerzijds vinden we het gedrag moreel verwerpelijk en roepen we om meer toezicht en minder graaien. Anderzijds is ook topbestuurders niets menselijks vreemd. Zijn wij moreel superieur aan topbestuurders? Is er niet in ons allemaal een sluimerende drang tot graaien aanwezig?

Ja, graaien, wat is dat eigenlijk? Graaien veronderstelt hebberigheid, geldzucht, pakken wat je pakken kunt. Het wekt de suggestie dat vanuit moreel opzicht het geld onterecht is verkregen. Maar als je dit in een breder perspectief plaatst: wat op deze wereld hebben we wél terecht verkregen? Is de financiële ongelijkheid tussen een topman en mij van een andere orde dan die tussen mij en het overgrote deel van de wereldbevolking dat het slechts met een fractie van mijn inkomen moet doen?

Tegenover graaien staat genade. Genade vormt de kern van het christelijk geloof. Elke dag weer alles uit handen geven en zonder saldo beginnen. Hoe tegendraads.

Zonde, schuld, zondebok. Gelukkig blijft het in het christelijk geloof niet bij deze woorden. Vergeving, herstel van vertrouwen en gratis vervulling van je diepste verlangens.