Als christen pretendeer ik meestal niet de enige waarheid te hebben. Deze opleggen aan een ander, doe ik al helemaal niet. Ik word namelijk liever niet als fundamentalist gezien. Een terechte zorg lijkt me. Naast dat het label ‘fundamentalist’ niet goed is voor het imago – het brengt immers beelden van dwang en oorlog mee – druist fundamentalisme ook in tegen het idee dat geloof persoonlijk is en alleen in vrijheid kan plaatsvinden. De christelijke boodschap met dwang opleggen lijkt mij dan ook een contradictio in terminis. Liever geen fundamentalisme dus.

Ik ben echter weleens bang dat we zo bezig zijn om van alles niet te zijn (fundamentalistisch, pretentieus etc.) dat ik me afvraag wat er nog overblijft. Wat draag ik nog wél uit van het christelijk geloof dat mij dierbaar is? Ik lees de krant die ‘durft te twijfelen’, onderzoek in het dagelijks leven de Bijbel en probeer open te staan voor de ander en de dialoog. Ik ben kritisch, zoals Kant mij dat geleerd heeft. Natuurlijk doe ik mijn best met goede daden; een glimlach en het openhouden van de deur van de treincoupé. Wijs ik de mensen daarmee echter op het goede nieuws?

Het kan ook anders. Op Twitter zag ik een bericht voorbijkomen over het verlangen om 10.000 bijbels te verspreiden onder vluchtelingen. Toen ik het las, moest ik terugdenken aan mijn tienertijd. Als zestienjarige liep ik met mijn vrienden gekleed in T-shirts met christelijke teksten en gewapend met gitaren en opwekkingsbundels door de school. Ik was ervan overtuigd dat de boodschap van Jezus voor iedereen goed nieuws was. Dit moest worden doorverteld! Wat mensen van mij vonden, daar maakte ik me niet druk om.

Kan en wil ik dat nog en werkt het zo eenvoudig, vroeg ik me af. Je geeft iemand een bijbel of zingt een liedje en dan gebeurt het. Ja en nee wisselden zich af in mijn theologische hoofd. Enerzijds kijk ik met weemoed terug op mijn tienertijd, anderzijds schaam ik me er een beetje voor. Het zette mij aan het denken over hoe ik het goede nieuws vandaag verspreid. Afgeven op anderen is immers gemakkelijk genoeg.

Kijkend naar de praktijk van elke dag is dat nog best lastig. Ik kan mooi op zondag vertellen dat we een grote opdracht hebben, maar in mijn dagelijks leven zijn er vaak maar weinig momenten dat ik een kans zie en die grijp. Zo reis ik graag in de stiltecoupé, werk ik op een Protestants Theologische Universiteit en tijdens de derde helft bij mijn voetbalteam analyseer ik het liefst de wedstrijd. Er lijken dus weinig kansen te zijn iets van het goede nieuws te delen en op de momenten die er zijn, betrap ik mezelf er vaak op dat ik niet te pretentieus wil zijn en toch vooral naar de ander wil luisteren. Ligt het aan mij of ben ik misschien iets te voorzichtig geworden? Er zit een hoop tussen fundamentalisme en zwijgen.

Eenmaal thuisgekomen na deze denksessie in de trein, vind ik een briefje van de postbode: mijn pakketje is bij de buren bezorgd. Ik bel aan, de buurman en zijn nieuwe Duitse Herder doen open. Ik bewonder de nieuwe aanwinst (Julia) en maak een praatje met de buurman. We hebben een leuk gesprek over honden. Als ik de huisdeur achter mij dichtdoe bedenk ik dat hier kansen liggen. Als ik opensta voor ontmoetingen, haal ik zelf meer uit het leven, maar kan ik ook meer uitdelen. Ik neem mijzelf voor voortaan ’s ochtends weer te gaan bidden of God mij elke dag een teken van zijn liefde en goedheid wil laten zijn. Ik verwonder mij dan gewoon over wat er gebeurt.

Als ik de volgende keer mijn buurman weer zie, zal ik hem dus niet voorbij lopen. Ik zal hem ook maar niet direct vragen of hij de Goede Herder al kent en of hij een bijbel wil hebben. Wel zal ik hem vragen hoe het met hem en met Julia gaat en waarom hij zo van haar geniet. Ik reken dan maar op een opening van de Geest, toon interesse en schaam mij het evangelie niet. Ontmoet hij Christus niet door mij, dan ontmoet ik Christus misschien door hem (of door Julia). Zag Jezus immers niet om naar al zijn schapen? Die pretentie houd ik vast.