Hussein zit ergens in de bossen langs de kuststrook van Turkije. Hij wacht nu al twee dagen op een boot die hem naar Griekenland in Europa zal brengen. In Izmir heeft hij een deal gesloten; zo’n 1000 euro heeft hij moeten betalen voor een plek op de boot. En dan opeens is het zover. Er wordt geroepen dat hij snel moet zijn. Hij rent. Hij zit. Opgepropt. Iemand wijst met zijn vinger naar de overkant: koers daar maar op af. Twee passagiers krijgen een emmer in hun hand gedrukt en daar gaan ze. Meteen wordt er water geloosd. Vijf uur later is de Griekse kust in zicht. Hussein heeft de oversteek gehaald, maar hij is nog lang niet waar hij wil zijn.

Ook Tamar is het gelukt om de overkant te halen. Haar man wilde weten hoe gevaarlijk de overtocht van Turkije naar Griekenland was. Daarom ging hij eerst zelf. Om uit te zoeken of hij zijn kinderen wel wilde toevertrouwen aan een rubberbootje op een grillige zee. Hij heeft zijn reiservaringen niet na kunnen vertellen. Een maand later voer Tamar met haar drie kinderen over diezelfde zee als waar haar man in was verdronken. Ze kon niet anders. Teruggaan naar Syrië betekende doodgaan. De zee op betekende mogelijk doodgaan.

Het zijn twee verhalen die een vriendin afgelopen zomer aan mij vertelde. Ze wilde op vakantie naar Portugal, maar besloot in plaats daarvan in haar vrije tijd mensen te helpen die vanuit Turkije aankwamen op Lesbos. De verhalen passen angstaanjagend goed bij de titel van dit blog: ‘Niets nieuws’. We hebben allemaal al wel zulke verhalen gehoord. Toch wil ik ze nog een keer vertellen, omdat ik merk dat ik zelf nog weleens de mensen achter de cijfers vergeet. Het is zo gemakkelijk om over asielzoekers of vluchtelingen in grote groepen te praten, terwijl het gaat om mensen met allemaal hun eigen levensverhaal.

In Europa en Nederland wordt er debat na debat gevoerd over hoe en waar immigranten opgevangen moet worden. Natuurlijk is het goed om na te denken over hoe we vluchtelingen het best een thuis kun geven en hoe we ze kunnen helpen – daar moet ook aandacht aan worden gegeven – maar ik hoop dat we in en na alle debatten niet vergeten wat deze mensen hebben meegemaakt en nog aan het meemaken zijn. Want die verhalen overtuigen mij er nog meer van dat we immigranten moeten helpen. Als ik ze ontmoet, dan wil ik ze met de ogen van God zien: als unieke mensen met een eigen verhaal. Dan wil ik niet vergeten hoe zij hier kwamen met gevaar voor eigen leven. En dan wil ik helpen. Al is het er maar één.