Ik ving eens een flard van een gesprek op. Een man van een jaar of vijfenvijftig uitte zijn angst. In zijn kerk zaten studenten en als hij met hen sprak, verbaasde hij zich erover hoe postmodern ze waren. In zijn gereformeerde kerk. En het erge was, ze hadden het niet door. Zijn opmerking liet mij niet los. Hij had het over mij. Ik was gedefinieerd. Ik was iets geworden. De onbewuste student had zich omgedraaid en zijn ware gezicht laten zien, een postmodern gezicht. En daar was ik niet helemaal blij mee, want dat gezicht maakt mensen bang.

Niet dat ik precies weet wat postmodernisme is, maar laat het de reactie op het moderne zijn. Op de grote verhalen die in de tijd zijn ontstaan. Verhalen over de toekomst van de wereld, argument gestapeld op argument, het een ongegrond, het ander bewezen, op naar de uiteindelijke waarheid, de perfectie; leven in een maatschappij die zich ontwikkelt tot de ideale vorm. Als doelen om tot iets beters te komen geformuleerd zijn, dan zijn die volgens de modernisten ook te realiseren. De ratio heeft het voor het zeggen en sleurt ons door een proces van vooruitgang.

De rest van het gesprek van de man ging waarschijnlijk over het geloof van de postmoderne mens. Over dat waarheid niets meer betekende, er niets meer heilig was. Kon je deze studenten eigenlijk nog wel gereformeerd noemen of waren zij post-gereformeerd?

Ik ben opgegroeid in de vrijgemaakte kerk. Daar is – vooral was, ze wordt ook postmodern(er) – één waarheid, en die waarheid wordt voortgedreven door de verbondslijn. Het geloof is een formule die lijkt op een eenvoudige rekensom: 1 en 1 = Jezus is onze verlosser, zoon van God. En daar kunnen we een rotsvaste kerk op bouwen. Als er dan ineens postmoderne studenten zijn die dat alles in twijfel trekken, is dat natuurlijk eng.

Dat er modernen zijn en postmodernen, dat zal mij op zich worst wezen. Het gevaar is niet dat ze er zijn, maar dat we ze zo noemen. Hoe vaak denk ik niet: o nee, niet weer dat verhaal, het zal wel zo’n typische vrijgemaakte (dominee) zijn. Ik merk dat het ook andersom gebeurt. Dan rollen er ogen en zie ik ze denken: daar heb je hém weer.

En dat helpt ons zoveel verder! Lang leve categoriseren.

Het pijnpunt zit hem erin dat het zo lastig is een ander werkelijk te leren kennen. De ander moet vechten tegen golven van vooroordelen die in mij opwellen en in het ergste geval mijn cynisme doorbreken. Ik ervaar de angst van de ander als een aanval op mijn ego.

Maar dat is, beste meneer en beste Rick, niet een manier om een stap dichter bij elkaar te komen.

Jezus had in dat opzicht stille wateren. Als hij iemand ontmoette, veranderde zijn binnenste niet in een oceaan van vooroordelen. Hij zag de mens, niet de tollenaar, een groot leider, niet een simpel vissertje. Hij zag een gekwetste vrouw en niet de vuile hoer.

En zo is het maar net. Er zijn geen modernisten en ik ben niet postmodern. Ik ben een mens, zie je dat dan niet?

Beeld Maarten Boersema