De ene na de andere kerk in Nederland wordt gesloten. In Kampen, waar ik zelf woon, wordt de eeuwenoude Bovenkerk (volgens een kenner behorend tot de top tien van middeleeuwse kerkinterieurs) waarschijnlijk aan de eredienst onttrokken. Voor de gemeenten is het onderhoud eenvoudigweg niet meer te dragen.

Als ik dat zie gebeuren, wordt de romanticus in mij stevig door elkaar geschud: ‘Word wakker! Nederland is geen christelijk land meer, ook al kon je dat in Kampen nog lang geloven.’ Die oude kerkgebouwen staan voor een tijd die voorbij is. De tijd waarin de kerk als een moeder greep had op haar kinderen. Ze bood duidelijkheid en veiligheid, maar belette hen ook om volwassen te worden en hun eigen weg te gaan. Sinds de jaren ’60 is daar echter verandering in gekomen. Massaal kozen Nederlanders ervoor het huis uit te gaan, om op eigen benen te kunnen staan. De Duitse filosoof Immanuel Kant noemde de Verlichting ooit ‘het uittreden van de mens uit zijn zelfgekozen onmondigheid’. Dat project is eigenlijk pas in onze tijd tot volle ontplooiing gekomen. Nederlanders hebben de moeder die hen onmondig hield achter zich gelaten, en zijn het huis uitgegaan om zelf hun leven te kunnen gaan leven.

Als ik me niet vergis, hebben wij als christenen ook een tik van deze molen meegekregen. Welke christen praat er nog over de kerk als zijn ‘moeder’, en durft nog te zeggen dat er ‘buiten haar geen heil is’ (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 28)? In de beleving van wat het betekent om christen te zijn, is de aandacht verschoven van de kerk als instituut naar de kerk als beweging van mensen die Jezus willen navolgen. Als moderne christen vraag je je af wat Gods plan is met jouw persoonlijke leven, en laat je je via sociale media en conferenties inspireren in je zoektocht naar authentiek christen-zijn. De kerk is vooral de gemeenschap van medegelovigen met wie je samen op zoek bent, maar niet zozeer de instantie die gezag over je uitoefent. De beleving van de institutionele kant van de kerk verschiet hierdoor ook van kleur. De ouderling en predikant worden van ambassadeurs van Christus spirituele coaches, en een kerkdienst een optionele samenkomst met medegelovigen, in plaats van de officiële ontmoeting tussen God en zijn volk.

Nu kun je zeggen dat dat simpelweg de nieuwe vorm is die de kerk krijgt in een netwerksamenleving. Het is een sociologische verandering, waar je niet direct een theologisch oordeel over moet hebben. En eerlijk gezegd wil ik dat heel graag geloven. Maar eigenlijk kan ik het niet geloven. Waarom niet? Omdat ik denk dat in die nieuwe nadruk op de kerk als beweging van navolgers iets verloren gaat van wat behoort tot de kern van christen-zijn: het besef dat ik mezelf niet tot christen heb gemaakt. God heeft dat gedaan door de dienst van mensen. In dat oude gebouw werd ik gedoopt. Daar hoorde ik week in week uit, terwijl ik met mijn broertje zat te klieren, het evangelie. Ik leerde er die eeuwenoude geloofsbelijdenis opzeggen en de inhoud ervan begrijpen. En mijn ouders probeerden, zo goed en zo kwaad als dat ging, thuis dat onderwijs voort te zetten. Zo werd ik als christen geboren en groeide ik op, onder de vleugels van mijn moeder.

Laat de kerk alsjeblieft die moeder blijven, bij wie ik nooit uit huis hoef om het zelf uit te zoeken. Bij wie ik gewoon op schoot kan kruipen om telkens opnieuw dat oude verhaal te horen. Die mij niet mijn eigen potje laat koken, maar in Christus’ naam voor mij de tafel dekt. Die me als het nodig is tot de orde roept. En die met mij steeds weer datzelfde lied zingt, dat ze ook al zong met broers en zussen die allang gestorven zijn. En ik weet heel goed: thuis is het echt niet altijd fijn. Moeders kunnen je onnodig klein houden. Moeders zijn niet onfeilbaar. Maar als zij er niet was geweest, had ik mijn Vader niet leren kennen.