Als je na acht jaar gereformeerde basisschool, zes jaar Gomarus College en vier jaar Theologische Universiteit Kampen aan een hogeschool voor de kunsten gaat studeren, is dat even wennen. En met je oren klapperen.

Voor het eerst in tweeëntwintig jaar hoorde ik ineens overal om me heen gevloek. De hele tijd. En niet alleen uit woede, maar ook uit verbazing, blijdschap of voor de grap… En ineens ging het overal om me heen over seks. En gelukkig kon ik dan vrijuit meepraten, want ik ben getrouwd. De standaardreactie op dat feit: “Ben jij getrouwd?! Hoe oud ben je dan?! Hoe lang al? (denkpauze) Oh wacht, ben jij misschien christelijk?”

Mijn leven heeft altijd in het teken gestaan van God. Er was geen ontkomen aan. Er werd voor me gebeden toen ik in de buik groeide, voor mijn moeder toen ze moest bevallen, gedankt toen ik geboren was, een doopdienst gepland en water over m’n hoofd gegoten in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Elke dag hoorde ik de Bijbelverhalen en elke week leerde ik een psalm uit m’n hoofd. Ik zong de liedjes van Jozef en zijn grote broers en kende Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gat, Aser, Issaschar, Zebulon, Jozef en Benjamin al voordat ik m’n veters kon strikken. Geen ontkomen aan. Een houvast vanaf het begin van m’n leven. God was er altijd en met hem kon ik de wereld aan.

Die wereld leerde ik een stuk beter kennen tijdens m’n theateropleiding. Niet vanwege dat gevloek en gepraat over seks, maar doordat ik voor het eerst in m’n leven goed bevriend raakte met mensen die het redden zonder God. Die aan hem ontkwamen en dat prima vonden.

Hoe ik erbij kwam weet ik niet meer, maar meteen op de eerste dag hoorde ik mezelf een van hen het fenomeen ‘de jongste dag’ uitleggen. En weer begonnen mijn oren te klapperen, maar nu door wat eruit míjn mond kwam. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde? Graven die opengaan? Engelen? Ik luisterde naar m’n verhaal alsof ik het voor het eerst hoorde, zoals ik vermoedde dat m’n gesprekspartner het zou ervaren. Ik schrok ervan. Ik kreeg ineens door hoe ongelofelijk gek dat christendom kan klinken. Geloofde ik dit echt?

Ik had eigenlijk niet zoveel zin om dit uit te zoeken. Ik wilde geen afscheid nemen van fijne zekerheden, maar er bleek geen ontkomen aan. De vraag was gesteld, er moest een antwoord op komen.

Het heeft een poos geduurd voor ik wist wat dat antwoord op mijn zoektocht was, doordat ik lang heb gezocht naar de zekerheden van vroeger. Ik wilde zeker weten zoals ik als kind wist. Ik wilde ontdekken hoe het zat, zoals ik wilde toen ik theologie ging studeren. Maar ik kwam er vooral achter wat ik allemaal niet wist. Niet kon weten. En wat er dan overblijft. Niet veel harde feiten, maar wel een antwoord.

Ik weet nu zeker dat ik niet precies weet hoe het zit. Ik weet dat ik niet alles kan uitleggen. Zelfs niet mijn eigen levensovertuiging. Maar ik weet wel: ik ben opgegroeid in een gezin met een vader en een moeder en een Vader in de hemel. En ook al heb ik soms gedacht dat hij er niet is, als ik hem zoek blijkt hij er te zijn. Hij geeft kracht waar nodig, rust waar nodig, liefde waar nodig. Geen ontkomen aan.

Als ik m’n oren niet geloof als ik het over m’n geloof heb, schrik ik niet meer. Het betekent dat ik iets uit te zoeken heb. Dat dingen die ik vanzelfsprekend vond dat niet zijn. Je komt erachter wat je niet weet. Zeker weten wat je niet weet is ook een zekerheid.