Wat kunnen we eigenlijk zeggen tegen mensen die van het geloof vallen omdat ze geen logische verklaring voor ‘het Kwaad’ vinden? Onlangs herdachten wij de Tweede Wereldoorlog, een gebeurtenis die ons eraan herinnert dat niet alleen IS-strijders tot barbaarse daden in staat zijn. Is het niet verschrikkelijk naïef om in een God te geloven die niet ingrijpt terwijl mensen in gaskamers omkomen? En wat kunnen we eigenlijk met de verklaring dat de duivel de bron van al het kwaad is en de hel de plek waar het kwaad uiteindelijk gestraft zal worden? Laten we eerlijk zijn: deze verklaring het doet toch een beetje middeleeuws aan.

Volgens de Franse historicus Philippe Ariès nam het geloof in de duivel sinds de 18e eeuw sterk af. De oorzaak van het kwaad werd eerder gezocht in maatschappelijke misstanden, slechte opvoeding en psychologische afwijkingen die allemaal medisch of psychologisch behandeld konden worden. Sociale omstandigheden zouden de mens verleiden tot kwaadaardig gedrag en de wetenschap zou ons middelen aanreiken om het kwaad de wereld uit te helpen. Ook werd er steeds minder gesproken over de hel, hoewel het woord niet uit onze woordenschat is verdwenen. We gebruiken het nog steeds in gesprekken over de loopgraven, de gaskamers en de atoombommen, maar ook steeds meer om persoonlijke ervaringen van ziektes zoals een depressie te omschrijven. De hel is dus getransformeerd van onderwereld in het hiernamaals tot subjectieve ervaring.

Heeft het gezien de veranderende betekenis van woorden als hel en duivel, eigenlijk nog wel zin om ernaar te verwijzen in onze gesprekken over het kwaad? Ik kan me voorstellen dat het belangrijke concepten zijn voor theologen die op zoek zijn naar een verklaring voor het kwaad, maar wat heb ik eraan in een gesprek met een depressieve vriendin of eenzame vluchteling, iemand die rouwt om het verlies van een ouder of een gebroken huwelijk, of iemand die op de bank zit met een burn-out? Kan er eigenlijk wel meer gezegd worden dan dat het kwaad een donker kleed is dat af en toe over ons heen glijdt en ons het zicht ontneemt?

Mensen die een logische, wetenschappelijke verklaring voor het kwaad zoeken, zullen die in de Bijbel niet vinden. Het heeft dus weinig zin om in een gesprek over het kwaad met allerlei Bijbelverzen aan te komen zetten in de overtuiging dat wij argumenten aandragen. De Bijbel biedt geen logische argumentatielijn, wel een verzameling verhalen waarbinnen het kwaad betekenis krijgt. De rol van de duivel en de hel in deze verhalen is alles behalve eenduidig, maar wat de verhalen ons laten zien is dat lijden niet zinloos is en ongestraft zal blijven. Erger nog dan het lijden zelf, lijkt mij zinloos lijden, oftewel het lijden dat machteloos aanschouwd of zelfs ontkend wordt omdat ze niet in termen van oorzaak en gevolg verklaard kan worden of omdat iedere verbeelding ervan troebel blijft.

In gesprekken over het kwaad kan dus wel degelijk nagedacht worden over de betekenis van lijden binnen een groter kader, namelijk de strijd tussen goed en kwaad, en over de verschillende manieren waarop mensen in de Bijbel omgaan met het kwaad dat telkens verschillende vormen aanneemt: een slang, een jaloerse broer of koning, een aanstormend leger, een verleiding in de woestijn of het verraad van een vriend. Overigens komen we ook buiten de Bijbel tal van verhalen tegen waarin mensen worstelen met het kwaad. Zo herlas ik onlangs in het dagboek van Etty Hillesum, die in Auschwitz om het leven is gebracht:

“Het is soms nauwelijks te verwerken en te bevatten, God, wat jouw evenbeelden op deze aarde elkaar alles aandoen in deze losgebroken tijden. Maar dáárvoor sluit ik me niet op in m’n kamer, God, ik blijf alles onder ogen zien en wil voor niets weglopen en van de ergste misdaden tracht ik iets te begrijpen en te doorgronden en ik tracht altijd weer de naakte, kleine mens op te sporen, die dikwijls niet terug te vinden is midden in de monstrueuze ruïnes van zijn zinloze daden.”

In mijn eigen momenten van duisternis heb ik vaak meer gehad aan het dagboek van Etty Hillesum dan aan het verhaal van Job. Toch hebben de verhalen alles met elkaar te maken, want in beide gevallen zoeken de hoofdpersonen naar glimpen van licht te midden van monstrueuze ruïnes, en koesteren ze de hoop “that somehow You can save me from this darkness”.