Ik hang m’n twee blauwe, plastic Albert Heijntassen vol boodschappen aan m’n stuur. De eieren liggen bovenop in de linker; in de rechter m’n verse volkoren brood. Daaronder appels, ham, kaas, een nieuwe afwasborstel en alle andere dingen die ik thuis op m’n boodschappenlijstje had geschreven. Ik haal m’n fiets van het slot, draai hem om en voor ik op wil stappen rijd ik hem voorzichtig van de stoep af, de weg op. Terwijl ik dat doe begeven beide tassen het tegelijkertijd.

De hengsels hangen aan m’n stuur, de rest van de tassen ligt op straat, net als m’n afwasborstel, kaas, ham, appels, brood en eieren. Ik blijf een seconde stil staan. Adem in. Adem uit met een zucht. Ik zet m’n fiets op de standaard, verzamel m’n boodschappen in de onderste delen van de afgescheurde tassen, en controleer op het laatst even m’n eieren. Ze zijn nog heel.

Ik bind één tas onder m’n snelbinders, de andere houd ik zo goed mogelijk vast in m’n rechterarm, terwijl ik met links m’n stuur vasthoud. Ik stap met enige moeite op en fiets naar huis. Onderweg bedenk ik dat ik maar dankbaar moet zijn dat ik zoveel boodschappen kan kopen dat m’n tassen het niet aankunnen. “Niet zeuren, je hebt het goed,” zeg ik tegen mezelf als ik bij m’n huis aankom.

Ik heb het hartstikke goed. Het huis waar ik in thuiskom na het doen van de boodschappen is er het bewijs van. Het staat vol met alles wat ik nodig heb. En ik heb genoeg geld om te kopen wat er nog ontbreekt. Ik heb namelijk wel veel spullen, maar ik wil nog veel meer. Als ik in m’n favoriete boekhandel ben, heb ik ineens heel veel boeken nodig. Als ik in een kringloop rondloop heb ik ineens heel veel lp’s nodig. Als ik in een vintagekledingwinkel rondloop heb ik ineens heel veel blouses nodig, die ik eigenlijk niet precies pas. Dus heb ik kasten vol boeken die ik nog moet lezen, kratten vol lp’s die ik nog moet luisteren en hangers vol kleding die niet heel lekker zit. Terwijl ik in m’n keuken m’n boodschappen uitruim vraag ik me af wat het moment is dat m’n huis het van m’n spullen zal begeven, zoals m’n tassen van de boodschappen.

In de film Overal spullen van Judith de Leeuw zie je de filmmaakster al haar spullen tellen. Elke sok, elke dobbelsteen, elke lepel. Het is een zoektocht naar de relatie tussen spullen en mensen en de vraag waarom we altijd meer willen. Ze blijkt met haar partner en kind de eigenaar te zijn van 15734 spullen. Waaronder: 876 boeken, 312 platen en cd’s, 870 kledingstukken. 45 dingen heeft ze dubbel; 123 dingen zijn kapot. Haar kind van achttien maanden heeft al honderd boeken.

Ik moet denken aan de boeken die ik als kind las. Die liggen in m’n ouderlijk huis op m’n oude slaapkamer in een doos onder m’n oude bed. Ze liggen te wachten op mijn kinderen, die er nog niet eens zijn. Omdat ik het vroeger zo leuk vond als vriendinnen oude boeken van hun moeder op hun kamer hadden staan. Dat had ik ook wel gewild. Met als resultaat dat mijn niet-bestaande kinderen al in bezit zijn van meer dan honderd boeken.

Als De Leeuw stilstaat bij het aantal spullen dat ze bezit vraagt ze zich af hoeveel een mens nodig heeft. Niet 15734 spullen. Ze bedenkt dat het punt waarop ze precies genoeg had ongemerkt is gepasseerd. Dat lijkt me een mooi moment. Niets te veel, niets te weinig, precies tevreden. Ik heb het bij mezelf ook gemist. Ik wil ernaar op zoek. Ik denk dat ik maar begin door op zoek te gaan naar iemand die blij wordt van mijn kinderboeken.

Beeld: Judith de Leeuw