Gastblog door Jannet de Jong

Als ik ergens moet spreken, vraag ik steevast om een headset. Ik kan namelijk niet zo goed stil blijven staan achter de microfoon. En in kerken – meestal spreek ik in een kerkzaal – is het alternatief de microfoon op de preekstoel. De houten broek. En die past me dus niet goed: te krap, te statisch, te hoog. Tot voor een jaar of twintig geleden zou niemand binnen mijn kerkgenootschap, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt (GKV), daar overigens een probleem mee hebben. Vrouwen werden er niet geacht een preekstoel te beklimmen of een ander ambt (diaken, ouderling) te bekleden. Een enkele progressieveling voerde een pleidooi voor de vrouwelijke diaken (want een dienend ambt) en soms zelfs voor de openstelling van alle ambten.

Inmiddels zijn de opvattingen aan het verschuiven. Impliciet: in veel kerken hebben vrouwen taken gekregen die een lerend of besturend aspect hebben (catechese, beleid) en vrijwel overal wordt op gelijke voet samengewerkt met mannen. De situatie wordt niet als problematisch gezien: vrouwen bleken begaafd en beschikbaar voor bepaalde taken. Op sommige plaatsen leidt de herkenning van gaven bij vrouwen (en/of het gebrek aan mannelijke ambtsdragers) tot de expliciete wens om vrouwen ook als ambtsdragers in te kunnen zetten. In de GKV wordt het gesprek over vrouw en ambt sinds 2005 openlijk gevoerd, het jaar waarin ikzelf begon aan de studie theologie in Kampen. In veel andere kerken in Nederland was dit toen al decennia een gepasseerd station. Inmiddels ben ik afgestudeerd en werkzaam als adviseur in diezelfde GKV. Menig kerkenraad heb ik van raad voorzien, nooit is een van mijn adviezen weerlegd om het feit dat ik vrouw ben.

Dat brengt me bij het eerste grote pijnpunt in het gesprek dat gevoerd wordt: doen we in de kerk recht aan (de gaven van) vrouwen? Hoe rijmen we de plaats van (christen)vrouwen in de samenleving met die in de kerk? Zien we dat de plaats van vrouwen in de kerk in de afgelopen decennia enorm is opgeschoven? Zouden we nog zonder die verschuiving willen en kunnen? En waarom, als we de zegen zien op het werk van vrouwen, weren we ze dan nog uit het ambt? Hoe eerlijk is dat? Zien we in de Bijbel niet ook een bijzondere plaats voor vrouwen, zeker in die tijd?

En daarmee hebben we het tweede pijnpunt te pakken: de Bijbel over de plaats van de vrouw. Eeuwenlang leek dat klip-en-klaar en ook nu nog staan de scheppingsorde (eerst man, dan vrouw) en de zogenaamde ‘zwijgteksten’ centraal in het gesprek over vrouwen en ambten. Doen we recht aan de woorden van Paulus als we meer ruimte maken voor vrouwen in het ambt? Zien we niet een lijn vanaf de schepping waarbij de vrouw naast de man als hoofd haar plaats heeft? Hoe open zijn we voor nieuwe opvattingen over de interpretatie van de bijbel?

Allerlei varianten van mogelijke uitspraken over vrouw en ambt in de vrijgemaakte kerken kunnen aan deze beide pijnpunten niet voorbijgaan. Iedere vrouw die zich bezint op haar roeping, ook ik, zal zich in zekere mate met deze beide pijnpunten moeten confronteren. Komend jaar zal de synode van de GKV zich buigen over een rapport en mogelijk besluit. Daarbij helpt het niet dat vrijgemaakten in het verleden nogal stellig waren over waarheid en dwaling, ook op dit punt: de mogelijkheid dat de ambtsleer en -invulling vernieuwd zouden kunnen worden, is voor velen lastig te verteren.

Inmiddels ben ik ervan overtuigd dat een eenduidige beslissing niet langer mogelijk is. De kerken hebben onderling zolang gedebatteerd en zo weinig besloten dat ongeduld en frustratie aan beide kanten hun tol eisen: de stellingen zijn beklommen. Ieder besluit dat een synode mogelijkerwijs zou kunnen nemen roept reactie op, van vertrekkende of blijvende kerkgangers tot verwante kerken dichtbij en ver weg. Het helpt ons daarbij niet om te blijven studeren op Bijbelteksten (er is geen eenduidig antwoord) of kwantitatief onderzoek (de praktijk heeft niet zomaar gelijk). Veel meer zullen we ons moeten bezinnen op het oefenen van eenheid, recht doen en offers brengen. Wat mag het jou, wat mag het mij kosten om samen kerk te zijn? Waar kunnen voor- en tegenstanders zich bij neerleggen omwille van de ander? Alleen een Godswonder kan de vrede brengen.

Mijn voormalige studiegenoten (m) staan inmiddels op de preekstoel. Ik niet, hij past me niet en wordt me tot op heden niet gepast geacht. Ik ben voor mijn huidige baan begaafd genoeg, al kan de complexe begeleiding van gemeenten mijns inziens niet zonder verbinding met het Woord op zondag. En juist daar kan ik niet optreden. Is dat voor mij een offer? Ja. Wil ik het brengen om de eenheid van de kerken? Ja. Wat is het meest passende antwoord van deze beelddrager Gods op haar roeping? We spreken over de vrouw in het ambt, maar is niet beter: deze mens in dit ambt?