‘Het is veel comfortabeler om de armen geen gezicht te geven. Zo hoeven we ons niet verantwoordelijk te voelen voor het onbegrijpelijke feit dat sommige mensen kamers over hebben, terwijl anderen op straat moeten slapen. We kunnen vrijwilliger zijn bij een maatschappelijk project, of overgebleven voedsel en kleding uitdelen, zonder ooit ons huis, ons bed of onze tafel te hoeven delen.’

Oef, dit kwam wel even bij me binnen. Ik las het in het boek Hoe Jezus de wereld op zijn kop zet (en mijn leven ook) van Shane Claiborne. Deze man probeert vorm te geven aan het Koninkrijk van God  hier op aarde. Tot ongeveer de helft van het boek vind ik hem grappig, radicaal en ook gewoon relaxed. Dat inspireert mij.

Tot die ene alinea. Nu inspireerde Claiborne mij niet meer alleen, hij confronteerde mij ook. Want ik zat lekker op een stoel een boekje te lezen in een huis met twee verdiepingen waar alleen mijn man en ik wonen en slapen. Vrienden en familie blijven regelmatig logeren, maar nog nooit heb ik een dakloze uitgenodigd om bij ons te komen slapen. Ik ken ze ook niet.

We geven giften en ik breng mijn kleding naar het Leger des Heils. Niets mis mee, maar wel gemakkelijk. Te gemakkelijk? Claiborne schrijft: ‘Ik weet niet zeker of Jezus gaat zeggen: ‘Toen ik hongerig was, heb je geld gegeven aan giro 555, en zij hebben mij te eten gegeven, of: toen ik naakt was, heb jij je kleren aan het Legers des Heils gegeven en zij hebben mij gekleed. Jezus zoekt geen weldoeners op afstand. Hij zoekt concrete daden van liefde. Je voedde me… je bezocht me in de gevangenis… je haalde me in huis… je kleedde me…’

Natuurlijk is het super mooi dat er hulporganisaties zijn en dat er allerlei vrijwilligersprojecten en instanties als het Leger des Heils bestaan om vraag en aanbod met elkaar te verbinden, maar er is een gevaar dat iedereen zich daar oké bij voelt. De rijken voelen zich goed, de armen krijgen eten en kleding, maar niemand wordt erdoor veranderd. Jezus heeft zelf nooit een hulpverleningsproject opgezet, maar Hij liet een liefdevolle manier van leven zien en Hij was altijd bij de mensen die lijden.

Claiborne confronteert mij daarmee. Aan de ene kant bezorgt mij dat een ongemakkelijk gevoel. Ik hoor de relativerende stemmen in mijn hoofd: ‘Niet iedereen hoeft zich over de gevangen, de daklozen en de eenzamen te ontfermen. Laat het liever aan professionals over, die weten hoe ze met dat soort mensen om moeten gaan. Denk aan je veiligheid.’ Aan de andere kant wekt het een verlangen in mij op om ons huis te delen met hen die wel een beetje extra liefde kunnen gebruiken. Maar ik weet niet waar te beginnen; ik zie het echt niet zitten om een willekeurige zwerver bij ons in huis een slaapplek aan te bieden. Ik legde mijn twijfels en verlangen neer bij God.

Een week later zagen mijn man en ik in het steegje achter ons huis een 16-jarige puber op de grond zitten. Haar sjaal had ze als dekentje om zich heen geslagen. Naast haar stonden twee tassen. Ze had zich niet aan de huisregels gehouden en was een uur geleden uit huis gezet, ze huilde en wist niet waar ze naar toe moest. Deze ‘dakloze’ bleek ons buurmeisje te zijn en ik heb haar uitgenodigd even bij ons thuis te komen. Uiteindelijk heeft haar vader haar dezelfde dag weer opgehaald, maar we zullen ons buurmeisje en de gesprekken met haar niet snel meer vergeten.

Lees ook Waarom mijn zus een van mijn geloofshelden is.