In mijn kleine stadje is het nooit zo druk als op zondagochtend. Als ik me met mijn man naar de auto haast om nog op tijd in de kerk te komen passeer ik een optocht van mannen in pakken en vrouwen met hoeden. Als ik in m’n auto richting m’n kerk rijd moet ik mensen op fietsen met psalmboekjes onder de snelbinders ontwijken. Als ik m’n auto neerzet op het parkeerplaatsje naast m’n kerk zijn er altijd mensen die onze kerk voorbij fietsen op weg naar hun eigen kerkgebouw. De kerk is zondags de plek om te zijn.

Ik vind het altijd fijn om de mensen van m’n gemeente weer te zien. Ik kom hier nu een jaar of tien. Ik voel me er thuis. Als ik binnenkom zie ik de voedselbankkratten staan en sla mezelf in gedachten voor m’n kop dat ik weer m’n overbodige spaghetti vergeten ben mee te nemen. Dan groet ik m’n zuster bij de welkomsttafel vriendelijk terug. Ik zoek een haakje voor m’n jas, die bij slecht weer amper te vinden is doordat ze altijd allemaal al bezet zijn tegen de tijd dat ik in de kerk kom. Ik zet m’n man af bij de diakenen en zoek vervolgens zelf een plekje in de zaal.

Het liefst zit ik in het vak rechtsvoor, met uitzicht op de ramen aan de linkerkant. Zo kan ik naar buiten kijken, naar de blauwe lucht, naar vogels die voorbij vliegen, naar de bomen die heen en weer waaien, naar verkeer dat voorbij rijdt, naar die ene stadsgenoot die niet in de kerk zit maar z’n hond uitlaat. Ook heb ik dan goed zicht op de rest van de gemeente, wel zo gezellig. Ik kijk even welke bekenden ik allemaal zie. Het orgel speelt, de kerkenraad komt binnen, de mededelingen worden voorgelezen, de dominee beklimt de preekstoel, we kunnen beginnen. Wat er dan volgt vind ik vaker wel dan niet een uitdaging om te doorstaan zonder verveling.

Zoals die keer dat de dominee in zijn preek nog eens haarfijn het evangelie uitlegde, zoals ik het ook kan vinden in mijn Bijbeltje, zoals ik het van kinds af aan al heb gehoord. Stap voor stap legt hij het uit. Hij verheft z’n stem en vertelt wat een goed nieuws dit wel niet is. Daar heeft hij gelijk in. Toch denk ik stiekem dat het ook een beetje oud nieuws is. Althans, in deze preek vond ik het niet zo verrassend. Dit verhaal ken ik al. Alsof de dominee m’n gedachten las verkondigt hij vervolgens dat wie zich door zijn verhaal niet laat verrassen het evangelie niet begrepen heeft. Want als je dat goed begrijpt kán het niet anders of je zit met verbazing te luisteren.

Ik verbaas me. Hoe kan hij nou zeggen dat ik me moet verbazen als hij niets verbazingwekkends zegt? Het evangelie is levensveranderend. Voor mij, voor miljoenen mensen, voor de hele mensheid. Het is een geweldige boodschap. Maar zoals je zelfs een boodschappenlijstje op een heel spannende manier zou kunnen voorlezen, zo kan een dominee ook de blijde boodschap op een heel saaie manier brengen. Ik denk dat het anders kan. En ik vind dat het anders moet. Want op deze manier wordt de boodschap geen recht gedaan.

Breng het verbazingwekkende evangelie, lieve dominee, op een verbazingwekkende manier.

Beeld: Marius van Dokkum, Dansje in de kerk