Gastblog door Margriet Zwart-Westers

#prayforparis was de hashtag die na de aanslagen op Parijs circuleerde. Ook afgelopen weken waren de gebedsoproepen veelvuldig in de virtuele lucht. #prayfornice, #prayformunich, #prayforturkey. Naast het online oproepen tot gebed, werd ook gedacht over wat de inhoud van ons gebed zou moeten zijn. De Indiase blogger Karuna Ezara Parikh plaatste vlak na de aanslagen in Parijs bijvoorbeeld een massaal gedeeld gedicht op Instagram dat begon met de woorden: ‘It is not Paris we should pray for. It is the world.’

Dankzij Karuna kijk ik kritisch naar mijzelf. Want waarom bid ik eigenlijk voor deze plaatsen? En waarom voor sommige andere plaatsen niet? En als ik bid, wat wil ik daar dan eigenlijk mee?

Jezus schrijft in de Bergrede: Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. (…) Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo? En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan? (Matteüs 5:43-47a)

Vanuit dit licht is het niet verwonderlijk dat we vooral bidden voor #paris, #nice en #munich en minder snel voor #baghdad, #mosul of #beiroet. Het is niets nieuws dat we liever onze vrienden liefhebben dan onze vijanden; dat we gemakkelijker bidden voor mensen van wie de levensstijl op de onze lijkt dan voor mensen die ons vreemd zijn. Om het scherp te stellen: het is geen verdienste om te bidden voor wie je na aan het hart staan. Het kan geen kwaad, maar het is niet zo moeilijk. ‘De tollenaars doen het net zo.’

Jezus daagt mij uit te bidden voor mijn vijanden. Misschien wel meer omwille van mijzelf dan omwille van die vijand. Iemand uit de vroege kerk schreef: Ik denk dat Christus zijn leerlingen opdroeg om vijanden lief te hebben, niet omdat vijanden erop gemaakt zijn liefgehad te worden, maar omdat wij er níet op gemaakt zijn om iemand te haten. Want haat is de voorbode van duisternis. Waar het verblijft, bezoedelt het de schoonheid van gezond verstand. (…) De wet spreekt niet over het fysiek pijnigen van je vijand, maar over het haten van je vijand. Maar wanneer je hem enkel haat, heb je jezelf meer geestelijke pijn bezorgd dan je hem in het lichaam hebt toegebracht. Maar wie welwillend is naar zijn vijand, spaart zichzelf.

Kortgeleden heb ik dit onverwacht eens kunnen uitproberen. In de straat waar ik woon is een café dat voor veel overlast zorgt doordat er veel drugs gedeald wordt. Auto’s stopten voor onze deur om te dealen, bezoekers lieten hun troep achter op de stoep en overdag rookten bezoekers hun wiet op de trapjes voor onze voordeuren. Met een groot aantal buurtbewoners en de politie hebben we van alles gedaan om deze stichting gesloten te krijgen.

Toch realiseerde ik, op een zondagmorgen in een kerkdienst, mijmerend over mijn straat, ineens: ik heb deze mensen niet lief. Deze mensen die overlast veroorzaken. Ik heb een grondige hekel aan hen. En dat is blijkbaar niet de bedoeling. En ik besloot toen om te bidden op de momenten dat ik overlast ervoer. Niks ingewikkelds; gewoon voor hen, dat het ze goed zou gaan.

Nee, ze veranderden niet op miraculeuze wijze in engelen. Maar wat mij opviel is dat het bidden vooral wat met mij deed. Mijn eigen irritatie werd iets minder (een beetje, af en toe, ik maak het niet mooier dan het is) en ik kon af en toe een praatje met hen maken. Zij werden in mijn hoofd minder een stoorzender in mijn lekkere leventje. In de plek waar ik woonde vond ik een roeping; een roeping om een buurvrouw te zijn in wie zij iets van Gods liefde kunnen zien.

Dit is de vrede van God. Geen vrede in de zin van ongestoord, zoals een vreedzame plek in de natuur, zonder ringtones en vervelende mensen. Maar vrede juist in het lawaai van de ontmoeting met onze stoorzenders. Vrede zodat we bidden voor hen voor wie we meestal niet bidden. Met alle risico’s van dien. Wie bidt voor zijn vijanden, loopt het risico van hen te gaan houden.