Iets nieuws op Niets Nieuws: interviews met mensen die de kerk verlieten of er zelfs nooit zijn geweest.

Twee tienertheologen
Als tienermeisje wist ik het al snel zeker: ik wilde theologie studeren. Dat vonden veel mensen in mijn omgeving een beetje gek, sommigen vonden het mooi, één vriendin vond het heel begrijpelijk: Femke. Zij wilde dat namelijk ook. We waren even oud, we hadden hetzelfde vakkenpakket en elke ochtend stapte ik in de trein, waar zij een halte eerder al in was gestapt. We zaten naast elkaar en liepen de twintig minuten van het eindstation naar onze gereformeerde middelbare school. En aan het eind van de dag liepen we weer terug. Ondertussen hadden we het over van alles, vaak over God, die zo belangrijk voor ons was. Na het behalen van onze diploma kwam hier een einde aan. Voor onze theologische opleiding vertrok zij naar Leuven, ik naar Kampen.

Ergens in dat eerste jaar theologie raakte ik in de war. Dat gebeurt nogal eens als je je levensovertuiging binnenstebuiten keert om die uit te pluizen. Vol vragen zat ik en ik wist niet zo goed bij wie ik daarmee terecht kon. Ik schreef Femke een lange brief. Ik kreeg geen reactie. Een paar maanden later hoorde ik via via dat ze was gestopt met theologie en geen christen meer was.

Jaren later sprak ik weer eens met haar af, voor dit interview. Ik hoorde eindelijk wat haar reactie op mijn brief was. 

Hoe het begon
Ik was altijd heel fanatiek en enthousiast in het geloof. Het was een mooi verhaal en wat is er nou leuker dan dat zoveel mogelijk te delen. Dat was de drijfveer om theologie te studeren. Ik wilde dominee worden, of iets in die richting.

In de tijd naar het eindexamen toe kreeg ik wel steeds meer twijfels, maar die drukte ik weg. Ik had er nou eenmaal voor gekozen, punt. Twijfelen vond ik eng. Want wat zou er gebeuren als ik dat toeliet? Ik ben opgegroeid in zo’n wereldje waarin alles vast staat. Als je er dan één ding uittrekt, zoals bij zo’n Jengatoren, denk je: oh, de hele boel stort in elkaar. Bij ons thuis was het ook zo. Als kind stelde ik ook al wel veel vragen, maar ik had het gevoel dat ik daar nergens mee terecht kon.

Ik vroeg bijvoorbeeld iets over de apostel Johannes. Hij zat op Patmos (en kreeg visioenen, red.). Dan zei ik: “ja sorry, maar als ik zo lang in m’n eentje ergens rondliep zou ik ook wel gekke dingen verzinnen”. Of misschien had hij wel eens een paddenstoeltje gegeten. Dat kán toch? Dat kon dus niet. Dat werd heel stellig afgekapt. Mijn vragen gingen daardoor allemaal naar binnen, die uitte ik niet.

Op school heb ik dat ook zo ervaren. Alsof het al belachelijk is dat het in je opkomt om überhaupt een vraag te stellen. Een vraag is dan nog een vraag. Dat is nog open.

Vreemde denkbeelden
Ik kwam terecht op de campus aan de Evangelische theologische faculteit in Leuven. Ik heb daar echt een heel leuk jaar gehad. Maar ik heb ook gemerkt dat er veel mensen zijn die er heel fanatieke en radicale denkbeelden op na houden, die allemaal met elkaar kunnen botsen, maar allemaal uit naam van dezelfde God zijn.

Er waren bijvoorbeeld wat radicale clubjes. Een jongen wilde niet met mij boodschappen doen, omdat ik een meisje ben. Daar heb ik moeite mee. Dat doet iemand vanuit een overtuiging, maar hij zegt ook dat iedereen dat moet doen. Ik heb vast ook wel denkbeelden die mensen niet begrijpen, maar ik leg niet mijn manier van leven op aan iedereen en zeg “dit moet je doen en als je dat niet doet dan ben je slecht”.

Dat zie ik ook terug in de kerk waar ik uitkom. Toen ik me had onttrokken als lid kreeg ik brieven van gemeenteleden waardoor ik dacht: ik ben héél blij dat ik niet meer met jou in één clubje zit. Het was natuurlijk goed bedoeld, maar als iemand mij schrijft: “Wij hebben het licht van Jezus gezien en wij gunnen jou ook dat licht”, dan kun je voor mijn gevoel nooit op een gelijk niveau communiceren. Dan kom je nooit bij elkaar.

Ik kon er niet meer omheen
Tijdens m’n theologieopleiding leerde ik de Bijbel kennen in de brontaal en leerde ik over de ontstaansgeschiedenis. Wat ik daarin tegenkwam was niet het geloof waar ik mee was opgevoed. Het idee van ‘dit is het Woord van God en alles wat erin staat is waar’. Ik wilde daar heel erg aan vasthouden, maar dat ging op een gegeven moment niet meer.

En toen kreeg ik van jou (Nannette, red.) een brief met allemaal vragen. Volgens mij heb ik daar nooit op geantwoord. Over allerlei dingen waar we het al wel over hadden gehad en over hoe dat dan voor jou was toen je theologie ging studeren en je vroeg je af hoe dat voor mij was. Het klonk vrij wanhopig. Dat trof mij heel erg. Ik bedacht me dat dat voor mij toen ook zo voelde. Toen moest ik dat wel echt toegeven. Dat was een keerpunt. Ik kon er niet meer omheen. Ik moest door die vragen en dat gevoel heen.

Toen ben ik echt gaan nadenken, lezen en schrijven. Dat vond ik heel eng, heel zwart en heel eenzaam. Ik wist niet wie ik kon vertrouwen en hoe mensen erop zouden reageren. Ik kende niemand die niet geloofde. Het voelde als een vrije val in de ruimte en ik wist niet wat er zou gaan gebeuren. In het begin wilde ik nog wel echt geloven. Ik ging nog af en toe naar de kerk, maar dat ging me steeds meer tegenstaan.

Ik voelde zelf al dat ik niet meer terug zou keren naar hoe het was. Dat vond ik eigenlijk niet eerlijk van mezelf, omdat het voelde alsof ik al een deur dicht deed terwijl ik dacht: waarom zou ik die niet nog even open laten? Ik wilde het een kans geven. Het is toch iets waarover m’n hele familie en m’n hele omgeving super enthousiast is. Het is een mooi verhaal. Een god als vader die alles heeft gemaakt, die er ooit een einde aan maakt en dat alles helemaal goed wordt.

Ik wilde alles goed uitzoeken. Ik ben gaan lezen, ik ging praten met vrienden, er bleken wel meer te zijn die twijfelden. Ik praatte ook met de ouderling.

Onttrekking
Hij zat er bovenop, hij wilde vaak praten. Dat vond ik wel aandoenlijk, dat was betrokken. Op een goede manier. Hij deed zijn best om geïnteresseerd te zijn, ook al begreep hij niet wat ik dacht. Hij deed er moeite voor. Hij vertelde bijvoorbeeld dat het standaard was om te bidden tijdens zo’n gesprek maar checkte of ik dat wel wilde.

Op een gegeven moment zei ik: als er over twee jaar nog niets veranderd is, dan maak ik dan die beslissing. Het hoort heel erg in de kerk waar ik uit kom dat je een keuze móet maken. En dat deed ik uiteindelijk. Ik schreef de brief om me te onttrekken. Vanuit m’n hart, kort, een A4. Ik schreef dat ik in een persoonlijke zoektocht tot andere conclusies was gekomen dan dat er in de kerk geleerd wordt en dat ik dat niet meer kon vereenzelvigen met lidmaatschap. Iets over twee wegen die uit elkaar lopen. Ook dat ik altijd mezelf had kunnen zijn en bij kon dragen, wat ik altijd leuk had gevonden om te doen. Dat ik een fijne tijd had gehad.

Ik heb nog een paar brieven gehad en een kaartje. Een lief kaartje van iemand die het jammer vond dat ik die keuze maakte, maar dat dat ook mocht. Met een mooie wens erin, zonder mij te willen overtuigen. Dat kon ik wel waarderen.

Acceptatie
Ik snap dat het voor sommigen moeilijk is mijn keuze te accepteren. Ik vind het prima dat mijn familieleden geloven, maar andersom is dat natuurlijk lastiger. Voor hen zitten daar consequenties aan vast. Dat was voor mij in het begin heel moeilijk. Ik had een keuze gemaakt, daar heb ik diep over nagedacht. Het heeft mij heel veel goeds gebracht en ik sta daar echt achter. En dat het andersom dan niet zo is…

Ze kunnen het op hun manier wel accepteren. Ik had het vooral moeilijk met wat ik dacht dat zij zouden denken of vinden of voelen. Dat was eigenlijk een groter probleem dat wat zij echt dachten en vonden en voelden.

Toch is het wel moeilijk. Zij geloven dat zij naar de hemel gaan als zij sterven, omdat ze in God geloven. Dat is een geloofsinhoud die nog een tweede helft heeft. Als je niet gelooft ga je naar de hel. Dat zeggen ze niet, ze zeggen dat dat aan God is. Maar dat is toch moeilijk.

Geen dubbele bodems
In mijn hele wereld zat het christendom ingebouwd. Dat stortte allemaal in elkaar. Ik dacht: is er wel een wereld, waar moet ik heen? Ik moest alles opnieuw opbouwen. In het begin vond ik dat heel eenzaam. Maar op een gegeven moment bedacht ik dat ik deze wereld niet in m’n eentje hoef op te bouwen. Buiten de christelijke wereld is gewoon een andere wereld. Die is al klaar. Je hoeft niet alles zelf opnieuw te bedenken. De wet bijvoorbeeld. Je hebt de tien geboden, maar we hebben hier in Nederland ook gewoon de wet waarover nagedacht is en waarin staat hoe we met elkaar omgaan.

Het was een verademing om in die nieuwe wereld mensen te ontmoeten. Eerder dacht ik: ík ben gek. Want iedereen om me heen dacht iets en ik dacht iets anders. Mijn hele wereld was christelijk, dus het was iets heel groots om daaruit te stappen. Maar daarna kwam ik erachter dat dat helemaal niet zo was. Het bleek een veel kleiner clubje dan ik dacht. Zo raar waren mijn gedachtes dus niet.

Het leven is niet makkelijker geworden. God was zoveel dingen: oorsprong, doel, zingeving, mensbeeld, wereldbeeld, probleem, vangnet. En dat viel weg. Ik heb nu ook nog problemen. Als ik nog zou geloven zou ik bidden of God me zou willen helpen. Maar nu moet ik dat zelf oplossen of ermee omgaan. Maar ook als je wel kan bidden, dan moet je het alsnog oplossen. Het leven is niet echt veranderd, het is alleen de manier waarop je ernaar kijkt.

Het voelt niet onveilig. Het voelt heel normaal. Zonder dubbele bodems. Echter. Dit is het leven. Er is hierna niet een eeuwig feest met wijn die blijft stromen. Ik kijk anders naar wat er nu is. Ik heb veel meer rust in m’n hoofd. Ik kan nu gewoon zelf denken. Ik hoef niet én zelf te denken én te denken wat God zou denken. Dat scheelt heel veel gedachtes.

Beeld: privécollectie Nannette Poortinga, Rome-excursie, mei 2006