Afgelopen zondag was ik aan het preken. Het was een kerkdienst zoals die op allerlei plekken in het land nog worden gehouden. Het was ’s middags. De kerk was dus halfleeg.

In de soort kerkdiensten waarin ik voorga staat min of meer wel zo’n beetje vast wat er allemaal gaat gebeuren. Ze verlopen volgens een bepaald patroon. Het gezelschap dat nog de moeite neemt om op zondagmiddag naar de kerk komen is vaak een mengeling van trouwe, loyale gemeenteleden die komen omdat ze geroepen worden, jongeren die mee moeten van hun ouders en mensen die echt behoefte hebben aan verdieping van hun geloof. De eerste categorie wil nog weleens in slaap vallen tijdens de dienst of op zijn minst een geeuw moeten onderdrukken. De tweede categorie voelt zijn telefoon branden in zijn broekzak en vraagt zich af of hoe het er langs de lijn en op de velden aan toe gaat. Helaas voor hen zijn kosters tegenwoordig zo slim om het WiFi-netwerk voor gasten op zondag uit de lucht te halen. De derde categorie luistert en zuigt de preek op.

Voorgaan in een middagdienst waar mensen uit categorie 1 en 2 dominant zijn is een beproeving. Voorgaan in een middagdienst waar categorie 3 aanwezig is, is een zegen. De mensen die er zijn willen het ook echt horen. Dat preekt gemakkelijk.

Ik had een preek meegenomen voor categorie 2, de jongeren. Zelfs nog specifieker, een preek voor de meisjes. Over hun onzekerheden. Dat ze er goed uit willen zien, en dat ze goed over willen komen. Over hoe ze naar elkaar kijken en hoe jongens naar hen kijken. En over hoe God naar hen kijkt. Het was dus geen minicollege dogmatiek aan de hand van de Heidelberger, het was een kwetsbare poging om te duiden hoe het is om een meisje te zijn. Dus ik had de aandacht.

Na de preek voelde ik me tevreden. In die halflege kerk was toch een beetje intimiteit ontstaan. En toen gebeurde er iets onverwachts. In die voorgeprogrammeerde kerkdienst waarin alles vastligt, waar elke keer op hetzelfde moment de Bijbel opengaat, de geloofsbelijdenis klinkt en een gebed wordt uitgesproken, doorbrak iemand het patroon. We hadden een lied gezongen en een man bleef staan.

Ik keek hem aan, hij keek mij aan:

‘Dominee, ik wil graag wat zeggen…’

Overduidelijk was dit moment niet in de planning opgenomen en stond het niet op de beamer aangekondigd. En eigenlijk zou ik er een beetje door in verlegenheid moeten zijn gebracht. ‘Dit doen we anders nooit.’ Maar ik ervoer het als een verademing. Want hij gaf woorden aan wat ik zelf voelde. Er was in die halflege preekschuur een beetje intimiteit ontstaan. Als in een huiskamer, alsof we met elkaar toch echt een gezin waren.

‘Dominee ik wil graag wat zeggen.’ En dat zegt eigenlijk al genoeg. Vast en zeker zullen er vaker diensten zijn waarin iemand iets wil zeggen tegen de dominee op zijn preekstoel. Maar het gebeurt zelden. Want mensen voelen dat dat niet kan, niet hoort, niet de bedoeling is. Nu dus wel. Het kon, het paste, het was de bedoeling. Op mijn kwetsbare poging, zijn kwetsbare reactie.

Ik besef dat de drempel in het contact tussen voorgangers en kerkgangers steeds lager aan het worden is. In de hal van de kerk, via e-mail en WhatsApp zijn er altijd wel mensen met wie ik op een of ander punt doorpraat over wat ik gezegd heb. En het kan ook niet lang meer duren voordat alle protestantse kerken in Nederland preekstoelvrij zijn en de voorganger op gelijke hoogte staat met de mensen die hij voorgaat. Maar zo recht in mijn ponem. In de dienst zelf. Dit was toch wel even het volgende level. En het kan dus. Wat mij betreft is het weer een stapje dichter bij Paulus opmerking in de brief aan de Korintiërs: ‘Wanneer u samenkomt draagt iedereen wel iets bij.’

Toegegeven, je hebt er als kerkganger wel een beetje lef voor nodig. En misschien is het zelfs wel handig als je een beetje ongevoelig bent voor sociale conventies. Of dat je er gewoon lak aan hebt. Maar mijn zegen heb je. Kom maar op. Als je het doet, dan kan het.