Gastblog door Rineke Voogt

“Eh…niet lullig bedoeld, maar: hoeveel Bijbels heb jij eigenlijk?!” Vriend B. trekt de volgende verhuisdoos met boeken open. Bovenop ligt een Jongerenbijbel, een Nieuw Testament in het Latijn en een of andere gratis studentenversie van het Nieuwe Testament. B. legt ze op de stapel die zonder moeite een plank van de boekenkast kan beslaan: Bijbels, boekjes over hoe je je geloof kan verdedigen en/of bewijzen, boekjes die vertellen hoe je gelovig en wetenschapper tegelijk kunt zijn, en iets over de gereformeerde identiteit. Ik schiet in de lach. Terechte vraag wel: wat móet ik met al die Bijbels en boekjes?

Als je een relatie met iemand hebt, kom je soms na lange tijd opeens nog gekke kanten van elkaar tegen. Appels in de koelkast. Elke maandag om 21 uur mama aan de telefoon. Alle groenten snijden voor je überhaupt begint met koken. Zulke dingen. Gewoontes die je jezelf hebt aangeleerd, hebt meegekregen vanuit huis of elders. Je lacht erom, praat erover en kan weer door.

Maar als je een relatie hebt met iemand die niet gelooft, kun je nog gekkere kanten tegenkomen. Niet alleen gewoontes als al dan niet bidden voor het eten of zondag naar de kerk. Ook ideeën over het hiernamaals, de beste oplossing voor het vluchtelingenprobleem of hoe je je tijd moet verdelen kunnen botsen met elkaar. En dat is waar het interessant wordt. Omdat je erover van mening verschilt, móet je wel nagaan waarom je eigenlijk denkt wat je denkt.

Het is haast een cultuurclash. Als je gereformeerd bent opgevoed, dringen de gereformeerde ideeën gewoontes en manier van denken door tot in je haarvaten. Ik ging naar een gereformeerde basis- en middelbare school, leerde catechismussen uit mijn hoofd, bezocht avonden van de jeugdvereniging en werd lid van een gereformeerde studentenvereniging. De discussies die ik daar voerde waren levendig: kinderdoop of volwassendoop; mannen of ook vrouwen op de kansel; evolutie ja of nee? Alle mogelijke argumenten kwamen langs. Maar als ik eraan terugdenk, lijkt het of ik helemaal niet wist waar ik het over had. Alle discussies voerde ik op de automatische piloot, met voorgeprogrammeerde antwoorden.

Die antwoorden volstaan niet als ik met B. praat. Want hij vraagt zich niet af of je volwassenen of kinderen moet dopen. Hij wil weten: hoe kun je zoveel kerken hebben binnen één religie? Waarom denken christenen dat zij het enige ware geloof hebben? Gaat het niet allemaal om dezelfde God? Wat is eigenlijk de bedoeling van bidden? Wat voel je?

Sinds ik op dat soort vragen antwoorden probeer te formuleren, gaat mijn geloof minder op de automatische piloot. Dat heeft zijn voordelen. Randzaken verdwijnen naar de achtergrond, wanneer je de kern van je geloof scherp probeert te krijgen. Je begint er met andere ogen naar te kijken. Zitten we samen in een kerkdienst, luister ik met zijn oren mee. Gaat op zondag de wekker, moet ik er actief over nadenken waarom ik naar de kerk wil.

Lastig is het ook, soms. Mijn bed uitkomen als B. blijft liggen op zondagmorgen. Mijn oma begraven in de overtuiging dat ze nu in de hemel is, terwijl B. niet zeker weet of zoiets wel bestaat. Maar het mooie is: ik kan overal aan twijfelen en alles bespreken – B. zal me nergens om veroordelen.

Ik wist niet goed waar ik aan begon, toen ik met B. begon te daten. (Maar wees eerlijk: wanneer weet je dat eigenlijk wel?) Inmiddels ben ik erachter dat het prima werkt. Zelfs de Bijbels en gelovige boekjes hebben een plek gekregen. Netjes in de kast, naast boeken over relativiteitstheorie en evolutie. Categorie: non-fictie.

Rineke Voogt is bioloog en wetenschapsjournalist. Ze geeft biologieles en schrijft freelance artikelen.