Gastblog door Jeroen Bakker

Het is al bijna het einde van het jaar. Eerst nog Sinterklaas, kerst, oud en nieuw, en dan is het alweer drie jaar geleden dat ik bijna dood ging. Er bestaat een soort ‘bijna-dood’ die je rakelings mist, als een auto die je niet hebt gezien. Dat is het soort waarbij je niet echt opgelucht bent, omdat je niet de tijd hebt gehad om te schrikken. Een ‘bijna-dood bijna-ervaring’.

Ik heb zo’n ervaring gehad van achteraf pas merken dat je bijna dood bent gegaan, alleen had die van mij meer weg van vol geraakt worden door een trein, maar tegen alle redelijkheid in overleven. Zes dagen na wat een routineblindedarmoperatie leek te zijn ging ik bijna dood. Een vleesetende bacterie die m’n dood had moeten zijn, maar op dag zeven zo mogelijk nog onverwachter verdwenen bleek dan dat hij was gekomen. Ik heb geleerd dat een wonder medisch gezien valt in de categorie ‘atypisch ziekteverloop’.

Toen ik weer bij bewustzijn werd gebracht was ik weliswaar te laat om nog te ervaren dat ik ‘bijna-dood’ was, maar ik heb zeer goed ervaren dat ik ‘net-niet-dood’ was. Ik was niet opgelucht, geschrokken of verwonderd, ik was alleen maar heel erg ziek. Ziek zijn en herstellen is blijkbaar iets dat weinig ruimte overlaat voor andere dingen. Maar stukje bij beetje, bij elke stapje voorwaarts komt er ook weer ruimte voor verwondering.

Verwondering bijvoorbeeld over hoe sterk de emotionele lading kan zijn van weer voor het eerst vijf minuten lang, duizelig van de inspanning, rechtop op een stoel zitten. Ik heb me erover verwonderd hoe sterk je identiteit samenhangt met wat je kunt. Alleen maar plat op je rug kunnen liggen doet iets met je, maakt je op de een of andere manier minder. Ik heb geteld hoeveel slangetjes, buisjes, klemmetjes en snoertjes er in en aan me zaten. Het waren er vijftien. Ik heb ze een voor een afgeteld, tot vier weken later de laatste levenslijn werd losgekoppeld en ik op eigen kracht verder mocht. Naar huis. Stapje voor stapje verder. Terrein heroveren. Dingen voor het eerst weer doen en op die manier mezelf heroveren. Het heeft me verbaasd hoe diep de impact daarvan is. Hoe eng het is om iets te doen dat je kon, maar kwijt bent geraakt. Of dat nou stapje voor stapje de voordeur uitschuifelen is of het eerste tentamen.

Het heeft me geschokt hoe reëel, hoe echt lijden is. Ik betrapte mezelf erop dat ik er een onrealistisch, wat romantisch beeld van lijden op na hield. Nu weet ik hoe weinig vatbaar lijden is voor relativeren, voor het focussen op de positieve dingen. Of op dat het later beter wordt of zoiets. Het is juist je perspectief op dat soort dingen dat door lijden bekneld raakt. Alles wat je ervan kunt vinden is ontoereikend. Het dringt zich simpelweg zo sterk aan je op dat het je niet meer ruimte laat dan het te doorstaan. Het slokt je op en zondert je af van de mensen om je heen.

Zo raakte ik gefascineerd door de psalmdichters die in het aangezicht van de dood God voor ogen konden blijven houden. In het Oude Testament staat het leven centraal, omdat God de God van het leven is. En dat leven hoort vol te zijn, gevuld met de mensen om je heen en de goede grond onder je voeten, gevuld met de God van het leven zelf. Als het leven minder is dan dat, is het bekneld, en dat is niet alleen akelig voor jou, maar het is ook fundamenteel verkeerd omdat God de Heer is over het leven. Toch kunnen de psalmdichters midden in de shit, zelfs oog in oog met de dood dingen zeggen als: “En de ruimte voor uw gezicht is vol van vreugde, en de tijd bij uw rechterhand vol goed geluk.” (Psalm 16) Christian Wiman heeft dit mooi verwoord in zijn prachtige boek Mijn heldere afgrond: “Het gaat erom dat God met ons is, in zijn lijden, niet ons voorbij (…) en wat het betekent is dat de absoluut eenzame en eigensoortige aard van extreme menselijke pijn een illusie is.”

Dat is een gewaarwording die ik achteraf herken, het besef dat er een realiteit is die echter is dan wat ik ervaar. Ik heb gemerkt hoe moeilijk het is om je daarvan bewust te zijn, al is het maar voor een moment, als je middenin het lijden zit. Toch lijken de psalmdichters uit het Oude Testament dat bewustzijn op te kunnen oproepen, zelfs op het randje van de dood. Dat intrigeert me en trekt me aan. Zou ik dat ook kunnen leren? Een levenskunst waarbij je zo focust op het volle leven dat je zelfs in diep lijden en op het randje van de dood kunt scherpstellen op de God van het leven.

Een gebeiteld gebed van David:

Bewaar mij goed, zodat ik niet verloren raak.
Ik zei u HEER, mijn heer, u bent mijn enige goed,
ik heb geen andere goden naast u meer.
Smarten zullen smarten baren, van hen die anderen dienen.
Ik zal mijn offerbloed niet voor hen plengen,
hun ijdele namen niet gebruiken.

De HEER is het erf dat ik erf,
De HEER is mijn beker, ik vier zegen,
want hij zekert de grond van mijn lot.
De lieflijke meetsnoeren dreven
mijn erfenis schitterend
in mijn gebied.

U was dichter bij mij,
schreef Uw raad in mijn hart,
en ik las het gedicht
de hele nacht door.

Ik zette de HEER voor mij,
en Hij was rechts van mij.
En ik blijf recht naast hem.

Dus mijn hart jubelt hard,
en mijn eer eert de Heer,
mijn vlees woont vreugdevol veilig.

U zult mijn laatste adem niet verlaten.
U zult de put voor mijn ogen verduisteren,
maar U klaarde de weg op naar het leven.
En de ruimte voor uw gezicht is vol van vreugde,
en de tijd bij uw rechterhand vol goed geluk.

Psalm 16 vertaald door Jeroen Bakker

Jeroen Bakker studeert theologie aan de Theologische Universiteit Kampen.