Ik durf niet meer te spreken. Over God bedoel ik. Voor de rest blijf ik een prater. Maar over God houd ik soms liever mijn mond.

‘Ik kan niet geloven dat er werkelijk mensen zijn die oprecht menen dat het mogelijk is om met een vulgaire vanzelfsprekendheid over God te spreken en het evangelie te propageren als was het een betrouwbaar automerk’, zegt de Tsjechische priester Thomas Halik. Spreken over God in onze cultuur is lopen over een smalle richel: je zegt al snel te veel, maar ook al snel te weinig. En van beide herken ik de gevolgen om mij heen.

Veel van mijn leeftijdgenoten hebben afscheid genomen van hun christelijke wortels. God is kapot gepreekt en verkleind in regels en platte verboden. En andersom: de niet-christenen die ik tegenkom in de buurt waar ik buurtdominee ben, aarzelen net zo goed. Geloven in God kan zo ongeveer alles betekenen en ik moet wel met een goed verhaal komen wil ik als christen nog iets interessant vertellen op dat vlak. Waarover je niet spreken kunt, kan je maar beter zwijgen.

Maar daar sta ik dan op zondagmiddag. Niet in een stevige kerk waar ik met een gerust hart ‘waardig is het bloed van het lam’ kan laten zingen. Maar in een kerkgemeenschap waar de man voorin de rij mij ‘misbruik van mijn podium’ verwijt als ik alleen al de naam Geert Wilders of Donald Trump laat vallen. Kritiek op religie doet het goed hier. Een kritische reflectie op onze samenleving ook. Maar na de grond te hebben losgewoeld en het tekort van de antwoorden van onze cultuur te hebben benoemd, komt dan toch het moment dat ik iets moet gaan zeggen over God.

En ik aarzel.

In mijn hoofd hoor ik mijn eigen kritiek op ‘goedkope praatjes’ van predikanten. Ik zie de mensen voor me die met grote moeite in God kunnen geloven. Ik voel de scherpe kritiek en volstrekte onverschilligheid over het onderwerp ‘God’ van de jonge buurtbewoner die ik gister sprak. ‘God als het betrouwbaar automerk’, hoor ik Halik zeggen.

Ik kan maar beter zwijgen.

Voor me zit een jongen met schulden die zichzelf gek reflecteert op de vraag waarom God zijn leven zo moeilijk maakt en wat hij misdaan kan hebben. Een alleenstaande blinde man zegt dat hij zich geen zorgen hoeft te maken over zijn gezondheid want ‘God is toch bij mij?’ Een oude vrouw die zegt dat God alles goed vindt wat ze doet, zolang zij zich er oké bij voelt, want God wil het beste voor ons toch?

Ik moet wel iets zeggen.

Steeds meer raak ik me ervan bewust dat spreken over God is als de ondertiteling van een film: de woorden die ik onder de beelden plak, zijn bedoeld om het verhaal te begrijpen. Ze helpen om anders te kijken naar de film en geven stem aan wat er gebeurd. Verkeerde woorden geven een andere betekenis aan het verhaal dan goede woorden. Maar de woorden zelf zijn niet het verhaal: dat wordt gespeeld in het gewone leven.

En precies daar zit voor mij een sleutel: spreken over God kan alleen vanuit de dagelijkse ervaringen. Uit de ontmoetingen met anderen, de overweldigende schoonheid van de schepping en de liefde van een moeder tot haar kind. Dat betekent niet dat ik vaak woorden en taal nodig heb die van buiten (de Bijbel) komen, maar wel dat gedeelde ervaring van het leven de basis vormt voor het spreken over God. Eerst gebeurt het, dan pas kan ik spreken.

Deze vorm van spreken over God noemt mijn Jezuïtisch begeleider, in navolging van zijn spirituele traditie, het ‘zien van God in alle dingen’. Waar het op aankomt is niet het vinden of zoeken van nieuw (Gods)ervaringen. Het gaat erom dat je leert ‘onderscheiden’. Welke verlangens, welke gedachten, welke ideeën zijn Gods ‘ondertiteling’ van ons leven? Die verlangens, gedachten en ideeën benoemen of leren onderscheiden, dat is wat het spreken over God is.

Over God is niet te spreken in soundbites. Maar ook niet in lange theologische spinsels. Ik kan er soms maar moeilijk aan wennen dat ik me onthand voel staan op mijn podium. Ik kan er soms nauwelijks over spreken, maar zwijgen evenmin.