Gastgedicht door Marry Schoemaker-Kooy

Wie wist de tijd van misverstand, van nijd?

De duisternis die klemt, de zwaarden en de speren
verfijnder nog, de kogels, drones en vuile sneren
Verkrachting, haat en het negeren
De naakte trots en foute kleren

Van bloed en marteling, van oorlog en van strijd

Zal ooit geen mens meer weten
wat oorlog is? Zal zijn vergeten
het slaan, geslagen worden, geen herinneringen
meer die vreten? Gezinnen zijn gespleten
Verdwazing en een leeg geweten

Het ijzige gevoel, we raken alles kwijt
Onszelf, ons hart, in liefde streven
De wil om aan te zien en te vergeven
In narrigheid en irritatie zo bedreven

Wie brengt de stervende tot leven?

Wie durft er nog te ploegen en te zaaien
Te snoeien en te maaien
Te verwekken, en te aaien

Weet jij het nog, de eerste keer dat je weer blij kon zijn?

Ik vertel een verhaal van een koning zijn nood
Geheven in de woestijn, ons weggaan zijn dood
Zijn ziel roept, zijn lichaam is ontwricht
Hij sterft van zijn liefde, Hij sterft voor het licht

dat doordringt in de diepste gangen
Dat ons laat vluchten of verlangen
Vergeving breek het lot van ons, gevangen

Geef ons uw rijk waar de liefde regeert
Waar uw goedheid ons leert

Maak ons de echo van de woorden uit uw mond
van uw voetstap op de grond

Laat ons niet gaan

Marry Schoemaker-Kooy schreef dit gedicht voor een bijeenkomst van Via Nova Amsterdam. Zij is journalist en gastouder.