‘Christendom of Islam?’ kopte het katern van mijn godsdienstlessen vroeger. Het was mooi geformuleerd als vraag, maar het antwoord stond al vast nog voor ik het boekje open had gedaan. Het christendom natuurlijk. Protestant, gereformeerd, vrijgemaakt christendom. Mijn godsdienstlessen bestonden voornamelijk uit het aan jonge puber uit leggen hoe ze zich moeten verhouden tot alles wat anders is dan hun eigen overtuiging. Als 14-jarige puber werd ons haarfijn uitgelegd waarom alle andere geloven in deze wereld niet waar konden zijn. Onder die ‘geloven’ kon overigens van alles worden verstaan. Bij ons op school ging dat zelfs zo ver dat een eerder katern de vraag stelde ‘gereformeerd of evangelisch?’. Opnieuw was de vraag een stuk spannender dan het antwoord. Overigens was dát wel een leuker katern. Wij hadden namelijk ‘evangelischen’ in de klas, wat een stuk spannender was dan een les over Islam zonder moslims.

Mijn eerste kennismaking met die moslims was pas jaren later. Eerst tijdens mijn lessen geschiedenis en later in mijn stage in dialoogwerk tussen christenen en moslims. Voor het eerst kwam ik kwam in aanraking met moslims. Die ook nog eens, net als ik, een sterke missionaire drive hadden. Zij probeerden mij over te halen en ik hen. En ik herkende me in hen. Godsdienstlessen op hun scholen waren waarschijnlijk het spiegelbeeld van de onze. Met als titel vragen die geen vragen waren. ‘Islam of christendom?’, ‘Soeniet of sjiiet’. En net als veel christelijke jongeren kenden de meeste van hen ongetwijfeld weinig christenen. Toch waren de ontmoetingen voor mij belangrijk. Omdat ik me voor het eerst realiseerde wat ik eigenlijk van mensen vraag als ik ze vraag het evangelie te overwegen: het heldere systeem van denken dat je altijd hebt meegekregen opzij zetten voor de mijne. En gelijk kwam de vraag terug: ben ik bereid eenzelfde openheid te hebben in mijn denken?

Ervaringen als deze zijn volgens mij van groot belang. Nog maar even en in Nederland zijn verkiezingen. En ‘angst voor islam’ is een belangrijk thema in die verkiezingen. Vluchtelingen, die voor het gemak maar even gezien worden als moslims (terwijl een groot deel van hen christen is), worden gezien als een bedreiging van Nederlandse (joods-christelijke) waarden. Marrokanen (voor het gemak ook maar even allemaal moslim) worden gezien als lastig. Zo is ‘de islam’ een bedreiging voor de identiteit van Nederland. Gelukkig verzetten diverse christenen zich tegen een aanspraak op de joods-christelijke cultuur en proberen journalisten aan te tonen dat de cijfers over drommen moslims volstrekt overdreven zijn. Toch blijft het probleem bestaan: eenzijdige scholing en geen kennismaking met andersgelovigen.

Want wie van de bange Nederlanders of misschien zelfs bange christenen kent nu daadwerkelijk een moslim? Iemand die je zo ver in de ogen kan kijken, dat je als een spiegel jezelf terug ziet in de ander? En hoeveel godsdiensleraren op christelijke middelbare scholen durven het nu écht aan om niet over moslims te spreken, maar ze uit te nodigen om voor in de klas te delen wat geloven voor hen betekent?

Christenen zouden bij uitstek voorop moeten lopen in het opkomen voor moslimgelovigen in dit land. Als geen ander horen christenen zich te realiseren wat het is om als minderheid in een andersdenkend land te leven. Om met bravoure en geloof te staan voor je overtuiging én dat te doen vanuit een positie van zwakte en kwetsbaarheid. Om als achterhaald te worden gezien en nauwelijks plek krijgen in het publieke debat. In plaats van moslims aan te vallen of katernen te maken zoals die er vroeger waren op mijn school. Natuurlijk zijn er verschillen, maar het gaat in angst voor islam in ons land niet over een theologisch debat. Dat is boeiend en goed om te voeren met moslims in je omgeving. Maar doen alsof het gaat om theologie of ideologie gaat voorbij aan het belangrijkste: de ontmoeting tussen door God gemaakte mensen en herkenning van onze gezamenlijkheid. Juist christenen zouden daarin, in hun bevoorrechte positie, een belangrijke rol kunnen vervullen in begrip voor moslims. En hen inspireren in het vinden van een plek voor religie in een plurale samenleving.

En volgens mij begint dat klein. In de wijze waarop er thuis, op school en kerken over andere religies wordt gesproken. Je eigen geloof definiëren door je af te zetten tegen iets anders is altijd een zwaktebod en laat weinig vertrouwen in je eigen overtuiging zien. Het doet me denken aan een vrouw in de pionierskerk waar ik werk. Ze groeide niet-religieus op, maar was altijd geïnteresseerd. Haar belangrijkste angst voor de kerk was dat ze daarmee dacht intolerant te worden tegenover andere overtuigingen of religies. Haar ervaring kom ik vaker tegen: met het afzetten tegenover meegaan in de angst over islam, snijden kerken en christenen zichzelf in de vingers. ‘Niet-christen of christen?’ zal dan de titel zijn van het katern op de meeste openbare scholen in Nederland. Helaas weet ik dan het antwoord al.

Beeld George Ino