De paar tanden die ze nog heeft zijn verrot. Haar gezicht is grauw van het jarenlang leven op alcohol en shag. De mensen in de kerk staren haar aan. Natuurlijk, ook mensen die er uit zien als een zwerver zijn welkom in de kerk. Maar het is toch even slikken als er daadwerkelijk zo’n persoon naast je zit. Die zwerver is mijn tante. Als kind was ik bang voor haar. Ze was niet vaak bij ons op bezoek, maar als ze er was dan herinner ik me vooral dat ze schreeuwde. ‘Ze is niet boos op jou’, verzekerde mama mij altijd ongevraagd. Later begreep ik dat tante Giny last heeft van stemmen in haar hoofd, stemmen die daar niet horen.

Nog voordat ik geboren was schreef ze al boze brieven naar mijn ouders vol valse beschuldigingen. Ze werd achtervolgd en beroofd, dacht ze. Medicijnen van een dokter vertrouwde ze niet en ze zocht haar toevlucht in drank. De puinhoop in haar leven werd met de dag groter. Ze werd zwanger, maar heeft nooit voor haar kind kunnen zorgen. De schulden stapelden zich op en op een dag kon ze de huur van haar verwaarloosde appartement niet meer betalen. Soms sliep ze een nacht bij het Leger des Heils of bij een andere hulpinstantie., maar daar hield ze het nooit langer dan een paar nachten uit.

Dagelijks, of meerdere keren per dag, en ook gerust ’s nachts, belde ze mama dronken op met de vraag of ze geld mocht lenen. In de loop der jaren heeft tante Giny heel wat scheldwoorden en verwensingen naar mijn moeders hoofd geslingerd. Regelmatig zocht mama haar op en betaalde ze een kar vol boodschappen. Daarna aten ze samen een patatje of dronken ze een drankje op een terras. Een ‘dankjewel’ kon er bij tante Giny nooit van af en de volgende dag belde ze gerust weer op met de vraag of ze geld mocht lenen.

Een tijdje sliep tante Giny in een anti-kraakpand. Toen mama daar eens door een krakkemikkige deur naar binnen stapte, zei een dronken tante Giny: ‘Pas op hoor!’ en tegelijkertijd stapte mama letterlijk in de shit van Giny. Mensen zeiden tegen mama: ‘laat haar het toch lekker zelf uitzoeken, jij hebt genoeg voor haar gedaan’. Maar dat kon mama niet.

Al was mijn rustige, dappere moeder soms echt weleens radeloos. Als ze dacht dat haar zus het dieptepunt bereikt had, kon ze toch nog dieper zinken. Mama vroeg aan professionele hulp hoe ze het beste met haar zus om kon gaan. Ze bad tot God. Niets hielp. Tante Giny’s leven bleef een puinhoop.

Tot een paar jaar geleden. In een koude winter werd tante Giny verplicht opgenomen, het begin van een herstel. Met ups en downs wordt het contact tussen mama en haar zus langzaam beter. Mijn moeder krijgt opeens een kaartje op haar verjaardag en tante Giny is weer vaker nuchter dan dronken.

En dan blijkt tante Giny kanker te hebben. Het ziet er niet best uit. Tante Giny wil zich niet laten behandelen want ze vertrouwt de dokters van geen kant. Niemand mag dicht bij komen en God al helemaal niet.

En toch zat ze daar die avond in de kerk. Mijn vader was jarig en mijn moeder had aan tante Giny voorgesteld om een dag eerder te komen omdat ze op de verjaardag ’s avonds naar de kerk zouden gaan. ‘Dan ga ik toch mee’, had tante Giny tot ieders verbazing gezegd. En zo zat tante Giny na dertig jaar weer voor het eerst in een kerk. Ze zong niet mee, bad niet mee. Ze zat daar gewoon. Maar toen werd er gezongen: ‘De toekomst is zeker, ja oneindig goed. Als ik eens moet sterven, als ik U ontmoet. Dan droogt u mijn tranen, u noemt zelfs mijn naam. U blijft bij mij Jezus, laat mij niet gaan.’ De zussen keken elkaar aan, ze zeiden niets, maar vanaf toen wisten ze het allebei zeker: God is erbij en laat haar niet gaan.

Giny is in juni 2016 op 56-jarige leeftijd overleden