Het ware christendom moet nog beginnen, en wel hierom: dat er zo weinig mensen geloven komt doordat God een lastig karakter heeft en doordat de mensen die wél in hem geloven er niet hun levenstaak van maken Gods liefde tot het uiterste te beschermen.

Er is niet veel analytisch vermogen nodig om te concluderen dat (1) het christendom heeft gefaald, of (2) het ware christendom nog moet aanbreken. (1) De wereld had er heus anders uit gezien als alle volgelingen van Jezus zouden liefhebben zoals Jezus liefheeft. (2) Omdat dat niet het geval is, maar ik wel geloof in God, heb ik de hoop dat het ware christendom ooit nog aan zal breken.

Voor mij betekent christen zijn: dagelijks kiezen het kwetsbare pad van liefde te bewandelen. Net als Jezus. Als ik zijn levensinstelling kan samenvatten in drie begrippen zijn dat: armoede, vernedering en nederigheid. Zolang het christendom niet staat voor die begrippen, zolang die begrippen niet incarneren in de christenen, is het christendom nog niet begonnen.

Of moet je zeggen dat het nog niet is doorgebroken? Misschien is het zo dat het ware christendom toch al wel aanbreekt, hier, nu en in alle eeuwen die voor ons liggen. Want je hebt een scherp oog nodig de tekenen ervan te zien. Er is namelijk iets met de aanwezigheid van God. Ik zie dat vooral in het kerstverhaal. Dat lijkt ook al zo’n mislukking. God die komt als redder, maar verschijnt als een hulpbehoevende baby. Op het hele wereldtoneel een wezentje waar niemand op zal letten.

Zou het niet nog zo zijn, elke dag? Dat die weg van Jezus wel probeert te incarneren, dat het ware christendom wel iedere dag probeert geboren te worden, maar dat het meestal mislukt doordat die weg zo kwetsbaar is en zo ingaat tegen onze natuur (lees: rijkdom, eer en hoogmoed)? Zo hoef ik maar met m’n verkeerde been uit bed te stappen – en weg is het. Het hoeft maar een bende te zijn in de algemene ruimte van onze flat – en foetsie. Ik hoef maar verdiept te zijn in een of andere website terwijl mijn vrouw iets tegen mij zegt – verdwenen is het.

In mij komt van alles in verzet zodra ik probeer te geloven in de liefde. Het lukt maar heel soms om de weg te blijven volgen waarop ik zeg: mijn antwoord op alles zal vandaag zijn dat ik de ander nog meer lief zal hebben. Dat komt doordat liefde niet kan vechten. Liefde moet je beschermen. En zou dat niet de echte opdracht van de christenen zijn? Wij moeten Gods aanwezigheid beschermen, als een kaars in de wind.

En zou dat ook niet allemaal expres zo bedoeld zijn? Er moet een reden zijn voor het gegeven dat in de kern van het mysterie van het christendom voor de mens een extreem moeilijke les zit: leef een leven van armoede, vernedering en nederigheid – kies altijd voor meer liefde. Tragisch genoeg belemmert die les dat het christendom werkelijk zal doorbreken. Of is dat juist logisch. Een dominant christendom gaat in tegen alle principes van Jezus. God durft nog altijd klein en kwetsbaar te zijn.

Als God als een kaars in de wereld is, vraagt hij alle mensen er rondom te gaan staan, als een muur, zodat hij niet uitwaait. ‘Waar is die God dan?’, vragen mensen. En soms wil ik dan kunnen wijzen naar die kaars, dat flikkerende vlammetje. Maar, als we samen op zoek gaan naar dat breekbare licht dat ons zegt: ‘Ik ben er wel hoor’, merk ik dat het meestal is uitgewaaid, want niemand kon het opbrengen te waken over God.