‘Hoe is het met het vrouwtje?’ De vraag wordt me gesteld en ik klap dicht. Oprechte interesse is zonder enige twijfel de reden waarom het me gevraagd wordt. Maar het verkleinwoord vrouwtje heeft op mij een verlammende werking. Ik snap wel dat met het vrouwtje mijn wettige echtgenote wordt bedoeld, maar ik vat de aanduiding ‘vrouwtje’ als een vernedering op. Alsof er een of ander minderwaardig schepsel in mijn entourage meekomt. En dat staat zo ontzettend haaks op de werkelijkheid dat er kortsluiting ontstaat: hoe is het met het vrouwtje.

En onwillekeurig roept het bij mij toch ook het gevoel op van: kijk jij zo naar vrouwen? Nu leef ik temidden van de Saksen. En ook de man-vrouw verhouding in Saksenland is geheel eigen. Op Sallandse verjaardagsfeestjes kan het gebeuren dat er zonder verdere organisatie een natuurlijke scheiding tussen mannen met een biertje bij het vuur aan de ene kant en vrouwen met een wijntje op de bank aan de andere kant ontstaat.

Een van mijn collega’s vertrouwde me eens toe dat Saksische vrouwen geneigd zijn om zich te schikken, om eindeloos loyaal te zijn aan hun man en zichzelf weg te cijferen. Hun tragiek is dat er niet over gevoelens wordt gepraat, dat vreet relaties op. Ze hebben elkaar, iets anders hebben ze niet.

Ook in de documentaire Brommers kiek’n van Geertjan Lassche, door de NPO uitgezonden op 2e paasdag, komen de meisjes er bekaaid van af. Lassche brengt jongerencultuur op het platteland in beeld: de zuipkeet, de koeienkeuring ‘mooi aangehechte uiers’, botsautootje spelen op het erf met afgetrapte Peugeotjes en het paasvuur als paganistisch rudiment dat de bekeringsijver van Karel de Grote tot op de huidige dag overleefd heeft. Maar ook een meisje van 16 dat van haar vriendengroep op haar verjaardag een bord in de tuin krijgt, vol vunzigheid en banaliteiten die haar tekenen als een sletterig type.

Ik kan dat niet goed aanzien. Dat op het platteland de seksualiteit onder jongeren haast als iets puur natuurlijks beleefd wordt, als nauwelijks beschaafde laag die simpelweg met het aardse bestaan gegeven is, dat vind ik aan de ene kant nog wel logisch. In hippe stadse clubs en koffiebars wordt met iets meer opsmuk en iets minder platitudes inhoudelijk immers min of meer hetzelfde tot uitdrukking gebracht. De menselijke seksualiteit is, hoe cultureel bepaald ook, uiteindelijk toch een natuurlijk gegeven. Dat hindert niks. Wat mij hindert is het effect hiervan op de positie van meisjes ten opzichte van jongens. En daarbij koester ik me geen illusies, corpsmeisjes van Vindicat en Minerva staan er vermoedelijk net zo beroerd voor als boerendochters uit Espelo en Nieuwleusen.

En ik stoor me ook aan wat ik in mijn eigen praktijk als predikant hoor. Het deugt in mijn ogen niet dat jongens de verkering uitmaken via WhatsApp, zelfs als ze al wel met haar geslapen hebben. Het deugt in mijn ogen niet dat je een soort van virtuele schandpaal hebt waarop de naaktfoto’s van nog onvolgroeide meisjes eindeloos rondzingen onder het hoongelach van andere tieners die doodsbenauwd zijn zelf ook eens aan de beurt te komen. Het deugt in mijn ogen niet dat naast de islamitische en de liberale man, ook de christen tot in het alledaagse taalgebruik aan toe geneigd is niet met hoogachting te spreken over de vrouw.

Van de honderden bladzijden van de Zwitserse theoloog Karl Barth die ik moest lezen, heb ik niks onthouden behalve zijn typering van de verstoorde verhouding tussen man en vrouw na de zondeval. De dominante man tegenover de onderdanige vrouw. Volgens hem roepen ze elkaar op. De dominante man roept de onderdanige vrouw op. En de onderdanige vrouw roept de dominante man op. Je gaat je gedragen naar dat patroon waarin je vervolgens elkaar gevangenhoudt.

Vrouwen dienen mannen ermee als ze zo’n patroon doorbreken. De emancipatie van de christelijke vrouw is geen verdacht product van het feminisme. Het feminisme is deels een product van het bevrijdende evangelie. Ook mannen en jongens kunnen het patroon van onderdanigheid en dominantie doorbreken als ze meisjes en vrouwen als zelfstandige, volwaardige mensen gaan zien.

Er werd laatst een meisje 16 in mijn nabije omgeving. Ik heb geen bord bij haar in de tuin gezet. Ik heb wel een brief geschreven en uitgelegd dat ze me dierbaar is en dat God haar versierd heeft met prachtige gaven. Ik laat me daar graag op voorstaan. God versiert meisjes. Met die overtuiging kunnen zowel jongens en mannen als meisjes en vrouwen een patroon van met elkaar omgaan ontwikkelen dat eerbaar en loffelijk is en bevrijdend.