Ik ben dominee. De kerk is mijn werk. Dat werk is intens mooi en geeft energie, zo ervaar ik de ene dag. Dat werk is dodelijk vermoeiend en vervelend, zo ervaar ik de andere dag.

Ik schrijf deze woorden een dag na een pittige vergadering van de kerkenraad. Pittig omdat de meningen sterk uiteenliepen. De één is er bij wijze van spreken diep overtuigd van dat we rechtdoor moeten, de ander even diep dat we linksaf moeten en weer een ander wil rechtsaf. Je kunt dit waarschijnlijk toepassen op het werken bij welk bedrijf, organisatie of instantie dan ook, want iedereen heeft last van dit soort ene en andere dagen. Iedereen moet immers dagelijks omgaan met zichzelf en mensen die op zijn of haar weg komen. Wat dat betreft zijn de beginzinnen van dit stuk een dooddoener.

Toch begin ik met deze twee uitspraken, omdat je het juist in de kerk – daar waar je verbonden wordt met iets dat groter is dan jezelf, daar waar het draait om geloof, hoop en liefde – vaak beter of anders verwacht. Je hoopt er tegen beter weten in, meer geloof, hoop en liefde bij jezelf en de ander aan te treffen.

Ik merk de laatste tijd dat ik juist op dit soort momenten teruggrijp naar een kort gebed dat ik onlangs opnam in een preek. Deze preek was onderdeel van een prekenserie over de gelijkenis van de verloren zonen. In drie preken stonden de afzonderlijke personages uit dit verhaal centraal: de vader, de jongste zoon en de oudste zoon. In de laatste preek over de oudste zoon had ik het gebed opgenomen. Daarbij maakte ik de opmerking dat als je slechts één ding uit deze prekenserie zou meenemen, dat het dan dit korte gebed zou moeten zijn.

“Vader, leer mij telkens meer met Uw ogen naar mezelf en de wereld te kijken. Ja, laat mijn blik steeds meer en weer scherpgesteld worden door Jezus Christus.”

Weet je wat er namelijk kan gebeuren als je dit bidt? Dan kan het gebeuren dat je minder hard voor jezelf wordt en ook voor je naaste, omdat je steeds meer hart krijgt voor jezelf en voor je naaste. Ik vind dat het zus en zo moet. Hij vindt dat het anders moet. Dit gebed leert mij kijken door de ogen van nog een ander. Die Ander die hem ziet en liefheeft. Die mij ziet en liefheeft.

Ik heb geen flauw idee of iemand die ooit deze preek heeft gehoord zich dit korte gebed nog kan herinneren. Wel weet ik dat het gebed mij op de been houdt. Niet alleen bij mijn werk in de kerk, maar ook daarbuiten. Misschien dat het jou ook kan helpen, waar je dan ook werkt of met welke mensen je ook moet of mag omgaan. Dit korte gebed geeft me ruimte en ontspanning. Het helpt me om me niet blind te staren op mijn eigen navel, want het opent een wereld waarin ik verbonden wordt met iets dat groter is dan mezelf. Het is een gebed dat leven wekt. Op dagen dat ik werken in de kerk als intens mooi ervaar, maar ook op dagen dat ik het dodelijk vermoeiend en vervelend vind. Ja, laat mijn blik toch elke dag meer en weer scherpgesteld worden! En wat betreft die kerkenraadsvergadering. Binnenkort vergaderen we weer en ik denk dat ik al wel weet hoe we zullen beginnen.