Onze blik op de ‘derde wereld’ is nog altijd sterk gekleurd door de tijd van de koloniën. Dit korte maar krachtig filmpje laat dat goed zien. Het toont aan hoe vaak het (Midden-)Oosten door westerlingen wordt geportretteerd in stereotyperende beelden: als slangenbezweerders en dieven; als een exotische, sensuele en verdorven gemeenschap. Tegenover de westerse ratio staan de driftige Arabieren; tegenover de geciviliseerde Europeaan de barbaarse bosjesmannen; tegenover de nette, witte mensen de corrupte despoten, de hongerbuikjes, vrouwenmishandelaars en religieuze fanatici.

Geromantiseerde vluchteling
Niet alleen wie zich negatief uitlaat over het Midden-Oosten of Afrika, kijkt door de lens van het kolonialisme: ook wie de vreemde ander romantiseert, doet daar aan mee. Dit romantiseren van de Arabische wereld en mensen gebeurt regelmatig in de groep waar ik onvermijdelijk bijhoor (wit, hoger opgeleid, christelijk en centrumlinks). De laatste jaren is deze geromantiseerde Oosterling heel dichtbij gekomen door de vluchteling. De vluchteling wordt door ons de hemel in geprezen met stereotyperingen: wat zijn ze aardig, wat zijn ze gastvrij, wat kunnen goed bakken, wat kunnen ze goed koken. Dit beeld van de vluchteling past naadloos in onze prettige multicultibubbel van wereldburgers, het eten van sushi of quinoa en het reizen naar exotische oorden.

Begrijp me niet verkeerd – er zijn natuurlijk veel aardige vluchtelingen. Toch hoor ik zelden tot nooit over de moeite die het mensen kost om de contacten met vluchtelingen aan te gaan, de frustratie wanneer er taalproblemen zijn, de saaie gesprekken over alwéér de kinderen, de supermarkt of de culturele verschillen. De paar vluchtelingen die ik ken voldoen vrijwel nooit aan de romantische verhalen over vluchtelingen die ik via social media voorbij zie komen. Niet omdat ze onaardig zijn, maar omdat elkaar leren kennen nu eenmaal best ingewikkeld is. Ze houden niet allemaal van koken, vragen niet altijd of ik wil blijven eten en zijn op hun eigen manier gewoon zichzelf, zonder stereotypen.

Jezus dé vluchteling
Nog erger wordt het als we de vluchteling en hun vlucht niet alleen romantiseren met bovengenoemde stereotypen, maar ook met onze theologie. Zie bijvoorbeeld het refrein van het nummer Jesus was a refugee van How To Throw A Christmas Party: “Jesus was a refugee, just like me, born on Christmas island. Free that refugee, free that refugee.” Ook op een theologische conferentie vorige week hoorde ik een spreker betogen dat het goed is om Jezus te zien als dé vluchteling bij uitstek. Terwijl ik vermoed dat veel vluchtelingen zelf, voor zover zij religieus zijn, veel eerder gebruik zullen maken van beelden met God als sterke Rots, als Vader, als Herder. Is het beeld van Jezus als vluchteling wel een beeld dat vluchtelingen zelf gebruiken of is het vooral een romantisch plaatje dat we schetsen om onze liefde voor vluchtelingen en onze liefde voor Jezus aan elkaar te verbinden?

En de bekende tekst uit Matteüs 25:31-46 dan? Daarin identificeert Jezus zich met hongerigen, naakten, gevangenen en zegt: ‘wat je voor hen doet, heb je voor mij gedaan’? Zo mag je Jezus toch ook zien in de vluchteling?

Toch zeg ik ja en nee tegelijk. Ja, dat mag, want inderdaad roept het evangelie op tot barmhartigheid met deze mensen, vluchtelingen inbegrepen, en God ziet al het goede wat we aan hen doen alsof het aan hem is gedaan. Maar tegelijkertijd zeg ik nee: want het beeld van Jezus als vluchteling kan al te gemakkelijk gebruikt worden om de vluchteling te romantiseren. Om beelden van goedheid, liefelijkheid, gastvrijheid op hem of haar te plakken omdat we in deze vluchteling vooral Jezus willen zien.

De vreemde ander
Het is een stuk minder romantisch om Jezus a.k.a. de vluchteling te helpen wanneer deze vluchteling niet altijd gastvrij is, diepzinnige theologische uitspraken doet of beter kan koken dan Ottolenghi. Maar misschien is het gewoon goed om te doen: onze naaste, de vluchteling helpen met het invullen van ingewikkelde papieren, opnieuw samen naar Al Jazeera kijken, elkaar niet begrijpen en toch maar volhouden zonder direct een Jezusbeeld op de vluchteling te plakken. De grootste uitdaging is misschien wel: de ander (vluchteling of niet) de ander te laten zijn, de vreemdheid ervaren, het verschil. En misschien wijst juist die andersheid van de ander wel op de ontmoeting met de Ander onze God. God die ook vaak zo Anders is, zo vreemd, op wie we zoveel (afgods)beelden plakken, maar die ons, in werkelijke ontmoeting, juist dieper confronteert met onszelf en ons ongemak dan we soms zouden willen.