Een tijdje geleden drukte Rutger Bregman, journalist bij De Correspondent, mij met de neus op de feiten. De slimme click-baitkop ‘Hierdoor werd ik één klap vegetariër (en jij misschien ook)’ deed mijn vinger al over mijn touchpad glijden voordat ik het doorhad. Maar voordat ik klikte was er een lichte aarzeling. Wil ik dit wel lezen? Ik klikte en ik las. Maar ik ben (nog) geen vegetariër geworden. Toch moet iedereen volgens mij dit stuk van Bregman lezen. 

Bregman werd vegetariër vanwege een vlijmscherp artikel over de vleesindustrie van een Israëlische historicus. Bregman noemt dit een enorme blinde vlek en schuwt de vergelijking met de slavenhandel niet. Waarom? Om de hoeveelheid vlees te produceren die wij nu verbruiken is een gigantische industrie in werking waarin 65 miljard dieren per jaar worden afgeslacht. Het leven dat ze daarvoor gehad hebben is kort en gruwelijk. Jongen worden van moeder gescheiden, direct vetgemest, volgestouwd met hormonen en in een klein hok gestopt en in hun tienerjaren gedood. Maar dieren zijn toch geen mensen? Nee, maar ze kunnen wel voelen, zich inleven in de ander, vrienden maken, rouwen en zijn intelligent, intelligenter dan mensen in bepaalde stadia (peuters en demente bejaarden). Dit is ten hemel schreiend. Dit moet stoppen.

Ik denk inderdaad dat de hemel hierom huilt. God zelf schiep al deze prachtige dieren met hun gevoelens en intelligentie. Hij schiep het sociale schaap en de nieuwsgierige big. En hij schiep ze niet zodat de mens ze kon eten. Ja, de mens krijgt van God een bijzondere plek als het evenbeeld van God en als de heerser over de dieren. Maar niet om te eten: dat zijn alleen de ‘zaaddragende planten en vruchtbomen’ (Gen. 1:29). Appels en bonen dus. Dat was de bedoeling. Zo was het goed. God schiep vegetariërs.

Maar. Er is een maar. Er kwam een zondeval. Het was niet meer goed. En er kwam een zondvloed, de straf van God. En dan gebeurt er iets vreemds. God herhaalt de woorden van Genesis 1, maar er is iets veranderd. De dieren zijn bang geworden voor de mens. En ze worden nu ons voedsel, naast de bonen en de appels (Gen. 9:3). Maar tegelijk sluit God een verbond met ALLE levende wezens, expliciet ook met de dieren (9:10). Een verbond nota bene, met dieren: torren, kippen en tijgers. Het is alsof Genesis vertelt: het is dubbel. Het is niet van harte. Het is met pijn in het hart. Ja we eten vlees en dat kan ook. Maar goed is het niet.

Ik ben geen vegetariër. En ik denk ook niet dat God dat van mij vraagt. Niet als principe. Maar vraagt deze tijd en deze situatie misschien om drastische maatregelen? Ik eet al weinig vlees. En waar ik kan koop ik met drie sterren. Dat is het minste wat ik kan doen. Maar is het genoeg? Eén ding is mij duidelijk: de manier waarop wij met dieren omgaan kan niet langer. De hemel huilt daarom. Daarom moet ik alle vlees dat uit die industrie komt uit mijn leven bannen. En als christen wil ik daarin vooroplopen, niet achteraan drentelen zoals al zo vaak in de geschiedenis. Als de bijbel, die van geen vleesindustrie weet, al zo voorzichtig spreekt. Als op Gods nieuwe aarde kind en adder, leeuw en lam samen spelen. Wat betekent dat dan voor mij? Breekt het leven in zijn koninkrijk niet al voorzichtig door op deze aarde?

Met dank aan de scherpe preek van dominee Ulbe van der Meer van de Ontmoetingskerk in Ede .