Door Bart van Egmond

De Britse toerisme-expert Scott Cohen publiceerde recentelijk een onderzoek naar het effect van hypermobiliteit op ons leven. Cohen stelt dat veel reizen onderdeel van onze identiteit is geworden. Onze grote voorbeelden zijn mensen die voortdurend nieuwe ervaringen opdoen tijdens uitdagende zakenreizen, verre vakanties, studieverblijven in het buitenland of een backpackjaar. Echt leven doe je door de saaiheid van het alledaagse bestaan te overstijgen, en je zo van anderen te onderscheiden. Dit verhaal riep herkenning bij mij op, omdat ik dit jaar niet op vakantie ging. Vrienden en collega’s kwamen terug met mooie verhalen, terwijl ik niet veel te vertellen had. Met elk nieuw verhaal over hoge bergen, mooie Europese steden, en lekkere Franse broodjes voelde mijn zomerleven betekenislozer, want zulke bijzondere dingen had ik niet meegemaakt.

Met mijn gevoeligheid voor het opdoen van nieuwe ervaringen blijk ik typisch een kind van mijn tijd te zijn. In onze cultuur lijkt niets een geslaagd leven meer te bedreigen dan de rust van de eentonigheid. Je zou je hele leven maar op dezelfde plek wonen, dezelfde baan hebben, dezelfde partner hebben, naar dezelfde camping op vakantie gaan, en… week in week uit dezelfde kerkdienst bijwonen. Je voelt juist dat je leeft door steeds nieuwe ‘kicks’ te ervaren. Ook de reclamewereld bevestigt en stimuleert dit ideaal. Let maar eens op hoe de meest gewone gebruiksvoorwerpen worden aangeprezen, niet zozeer om hun gebruikswaarde, maar om de bijzondere ervaring (experience) die je ermee kunt opdoen.

Ondertussen maakt dit verhaal over wat een geslaagd leven is mensen ook moe. Achter het ideaal van de reizende zakenman en de backpackende student gaat soms de harde werkelijkheid schuil van stress, vervreemding van vrienden en familie en de onmacht om opnieuw te wortelen op de plek waar je vandaan komt. Niet voor niets is er de laatste jaren ook veel interesse in mindfulness, leven in het moment, het genieten van het hier en nu. Het gelukkige leven, zo wordt dan gezegd, ligt niet in een toekomstige nieuwe ervaring, maar in het gewone leven van elke dag. En toch, hoe vaak ik het ook tegen mezelf zeg, het leven van elke dag is niet goed genoeg. Ik blijf onrustig.

Waarom lijken ‘excitement’ en rust elkaar uit te sluiten? Waarom maakt de zoektocht naar nieuwe ervaringen me moe, en het hier en nu me onrustig? Augustinus analyseert in zijn Belijdenissen dat dit gebeurt doordat we God zijn kwijtgeraakt als degene in wie ons verlangen tot rust komt. Ooit wisten we dat al onze ervaringen van wat mooi en goed is verwezen naar Hem. Het waren voorproefjes van het ultieme moment dat we Hem zouden ontmoeten. Dat maakte ons onrustig, maar nooit uitgeput; nieuwsgierig, maar nooit verveeld. Want we geloofden dat we op een dag God zelf zouden zien. Dat zou de meest opwindende ervaring zijn die ons ooit kon overkomen, en tegelijk het doel van alles, de ultieme rust. Maar op een dag geloofden we er niet meer in dat die ontmoeting ooit zou plaatsvinden. In plaats daarvan verklaarden we deze wereld voor de plek waar ons verlangen vervuld moet worden. En sindsdien dwalen we rusteloos rond, op zoek naar de ultieme ervaring, zonder die ooit te vinden. Van de weeromstuit zeggen we tegen onszelf: wees nu eens gewoon tevreden met het hier en nu, het gewone leven van elke dag. Maar, zo analyseert Augustinus, dan ben je bezig je aanleg als schepsel van God te ontkennen. Want je was juist gemaakt om je rust te vinden in zo’n ultieme ervaring, in de ontmoeting met de Schepper zelf.

Het is die alles overtreffende ervaring van ‘excitement’ en rust die het evangelie belooft. God zelf gaat waarmaken waar hij ons voor geschapen had. In De Stad van God verwoordt Augustinus dat zo: “‘Ik zal hun God zijn, en zij mijn volk’, wat betekent dat anders dan: ik zal het zijn in wie zij verzadigd worden, ik zal alles zijn waar mensen op juiste wijze naar verlangen, zowel leven als heil, overwinning en overvloed, glorie en eer, vrede en alle goede dingen… Hij zal het doel zijn van onze verlangens, Hij die wij zonder einde zullen zien, zonder afkeer zullen liefhebben, zonder uitputting zullen loven.” Als dit het is waar ik naar mag uitkijken, waarom ben ik dan jaloers op de vakantie-ervaringen van mijn vrienden en collega’s? Het waren voorproefjes van die alles overtreffende ervaring van het zien van God waar zij samen met mij naar uitkijken.

Bart van Egmond schreef een proefschrift over Augustinus en is predikant in Capelle a/d IJssel. Dit blog verscheen eerder op Niets Nieuws op 15-08-2015.