Door Jasper Bosman

Veel mensen denken dat geloof en kunst twee verschillende dingen zijn. Je kunt prima geloven zonder kunst, en andersom heb je geen geloof nodig om naar een museum te gaan. Toch hebben deze twee veel meer met elkaar te maken dan je op het eerste gezicht zou denken.

Over de relatie tussen kunst en geloof is al veel geschreven. Alsof het nog niet genoeg is, verschijnen er nog steeds boeken over dit onderwerp. Zo ook Earthly Visions: Theology and the Challenges of Art (2011) van de Britse theoloog Tim Gorringe. Een boek dat simpelweg te mooi is om te negeren.

Dat een theoloog aan het eind van z’n carrière ook nog iets over kunst schrijft, lijkt misschien niet zo bijzonder. Toch is dat te kort door de bocht. Gorringe heeft wel degelijk iets nieuws en interessants te melden.

Zijn boek vormt het verslag van een persoonlijke zoektocht. In een seculiere tijd zoekt Gorringe naar een nieuwe verbinding tussen kunst en geloof. Kan (seculiere) kunst nog iets bijdragen aan het christelijk geloof?

Die vraag is ook mijn vraag. Ik word niet alleen geraakt tijdens een kerkdienst, maar ook tijdens een museumbezoek. Stilgezet door moderne (of meer klassieke) kunst denk ik dan: heeft deze schoonheid ook iets met God te maken?

Veel kunsthistorici en theologen zullen zeggen dat kunst en ‘kerk’ elkaar jaren geleden al vaarwel hebben gezegd. Waar kunst en religieuze ambacht in de middeleeuwen nog één waren, is kunst vanaf de 18e eeuw langzamerhand zelfstandig geworden. Sindsdien laat een kunstenaar zich niet meer door de kerk gezeggen, maar gaat hij z’n eigen gang. Echte kunst is vandaag de dag seculier.

Gorringe kent zijn klassieken, maar neemt deze uitleg van kunst niet zomaar over. Hij stelt dat je kunstwerken kunt zien als een gelijkenis. Zoals Jezus gelijkenissen over het leven met God vertelde, zo vertellen kunstwerken een verhaal over de wereld waarin we leven.

Volgens Gorringe kan God beide ‘verhalen’ gebruiken om tot ons te spreken. Enerzijds via de Bijbel, anderzijds via de schepping (dus ook via kunstwerken). In beide gevallen maakt God daarbij gebruik van onze verbeelding: Hij laat ons (onbewust) zien dat er iets is dat boven het alledaagse uitstijgt.

Maar dat is nog niet alles: in zijn boek noemt Gorringe niet alleen kunst, maar ook Jezus’ gelijkenissen ‘seculier’. Jezus gebruikte namelijk gewone mensentaal om over het koninkrijk van God te spreken: vanuit het hier en nu wijst Hij naar boven, naar Gods werkelijkheid. Dat betekent dat je God niet kunt opsluiten in de Bijbel: in Zijn Woord wijst Hij juist op een nieuwe wereld die werkelijkheid wordt.

Tegelijkertijd kun je de betekenis van een kunstwerk nooit helemaal vatten: ten diepste is kunst een spel dat je moet spelen, maar dat zich nooit helemaal laat voorspellen. De betekenis van een kunstwerk laat zich niet vastleggen. In seculiere ‘taal’ vertelt kunst een gelijkenis over de wereld waarin wij leven. Op die manier wijst een kunstwerk boven zichzelf uit, zoals de gelijkenissen van Jezus ook doen.

Uiteindelijk concludeert Gorringe dat kunst op drie manieren een bijdrage kan leveren aan geloof:

  1. De schoonheid van kunst biedt een visioen van de toekomst (kunst laat iets zien van de schoonheid van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde);
  2. Kunst draagt bij aan het algemeen belang (je kunt genieten van de schoonheid van kunst);
  3. Dankzij kunst kunnen we leren om de wereld van een andere kant te bekijken (je ontdekt dat de wereld op meerdere manieren geïnterpreteerd kan worden).

Met andere woorden: kunst creëert de mogelijkheid om boven het alledaagse uitgetild te worden. Zodoende kunnen kunstwerken gezien worden als seculiere gelijkenissen met een boodschap die tot de verbeelding spreekt: als je op zoek gaat naar hun betekenis, vertellen ze misschien wel een verhaal dat ons kennen te boven gaat.

Mooie theorie, zou je kunnen denken. Maar hoe werkt dat dan in de praktijk? Wat moet je bijvoorbeeld met die abstracte kunstwerken zoals hierboven? Op dit punt is Gorringe erg kritisch. Abstracte schilders als Mark Rothko, Barnett Newman en anderen werpen de mens teveel terug op zichzelf, stelt hij. Alsof hij wil zeggen: ze wijzen niet duidelijk genoeg naar boven.

Op dit punt klinkt Gorringe elitair: alsof theologen (of de kerk) moeten beoordelen wat goede kunst is of niet. Volgens mij ligt de uitdaging er juist in om seculiere kunst even serieus te nemen als de kunstkenners doen. Want waarom is een schilderij van Rothko volgens velen zo adembenemend? Juist, omdat het naar boven verwijst.

Dat leidt tot interessante vervolgvragen voor wie gelooft. Hoe kijk jij vanaf nu naar alle kunst (en kitsch) die je tegenkomt?

Meer lezen over moderne kunst en geloof? William Dyrness and Jonathan Anderson, Modern Art and the Life of a Culture: The Religious Impulses of Modernism (IVP 2016)

Niets Nieuws werkt aan iets nieuws, vandaar soms even een oude blog. Deze verscheen eerder op 20-10-2015.